dinsdag 10 maart 2015

rottend rijst

We stonden op, gingen naar beneden, dronken koffie. We liepen naar buiten, naar de regen, de wind, de modder. De boerderijen sliepen vredig. Ze droomden van mortel en keramiek. We lachten, we bulderden van het lachen, we huilden. We voelden ons eenzaam, voelden aan elkaar, we hadden seks in een paardenstal. We hadden laarzen aan, groene laarzen, glad en kil.

We keerden terug. Ons bed was opgemaakt. De lakens gewassen. Het nachtkastje afgestoft. De wekkerradio schreeuwde het uit. We waren jong en onvolmaakt. We waren het gepeupel, het volk in de straat. De wagens reden sneller en sneller. We struikelden het bos in. De laatste bomen kreunden zacht.

We wisten dat het ooit ging stoppen, dat de rijst zou rotten, net als onze tanden. We zouden honger krijgen en ruzie. We zouden elkaar aanraken, onzacht en met de vuisten. We zouden roemloos ten onder gaan, net als onze buren. Maar tot het zover was zouden we in elkaars ogen kijken, om ter langst zonder te knipperen.