dinsdag 9 februari 2016

verleden tijd

Het was tijd om te gaan. Ik verkocht mijn laatste tapijt en fietste naar huis. Het regende dat het goot. Buschauffeurs vloekten met tuiten. Ik dacht aan alles wat ik ooit vergeten was. Ik bleef maar denken, duwend op mijn pedalen. Het fietspad lag er schunnig bij. Obsceen en achterhaald. Ik moest dringend een brief schrijven naar het gemeentebestuur om te klagen over de erbarmelijke toestand van de fietspaden in onze gemeente. Maar eerst moest ik jou kussen.

Ik vond jou bergafwaarts, in tegenovergestelde richting. Je aaide een boerenpaard, ik zweette als een rund. Ik riep je naam, maar het was je naam niet. Je keek niet op of om. Jarenlang beeldde ik me in dat ik je naam wist, dat we elkaar kenden. Dat jij ook stiekem naar mij keek op de fiets. Dat jij ook bezweet thuiskwam met maar één gedachte. Dat je in slaap viel met mij in je hart. Dat dat je voortstuwde, elke dag opnieuw.

Bomen zoefden voorbij. Regendruppels spatten uiteen op mijn helm. Mijn Vespa haalde wel vijfennegentig. Het roet vloog uit zijn uitlaatpijp. De stank was niet te harden. Het geronk oorverdovend. Dit alles torste ik met vastberaden blik. Bezweet bergen beklimmen was verleden tijd. Nooit meer zou ik fietsen. En naar die klachtenbrief kon het gemeentebestuur ook fluiten.

maandag 18 januari 2016

de afwezigen

De afwezigen waren niet aanwezig. Je kon hen geen ongelijk geven. Ze schreven geschiedenis op het naaktstrand van Bredene. Ik daarentegen zat op mijn grootmoeders schoot te wachten tot de soep afgekoeld was. Het jaarlijkse familiefeest was niet iets waar ik naar uitkeek. Mijn nonkels en tantes kronkelden in hun miserie. Mijn grootouders klampten zich vast aan hun enige normale kleinkind. Ze vochten om mijn gratie. De eerste die mij te pakken kreeg, liet mij de hele avond niet meer los.

De volgende ochtend stond ik steevast voor dag en dauw op. Ik fietste langs kreken op zoek naar zeldzame vogels. Verrekijker en notitieboekje waren mijn compagnons de route. Ik zag aalscholvers, blauwborstjes, futen, kluten, scholeksters, bosrietzangers, tafeleenden en wulpen. Mijn favoriet was natuurlijk de bruine kiekendief. Sierlijk en zelfbewust zweefde hij boven het riet. Hij negeerde mij totaal; een natuurlijke vijand was ik blijkbaar niet.

Als ik thuiskwam, was mijn vader in de kelder aan het driebanden. Op eender welk moment van de dag, eender welke dag van het jaar was mijn vader in de kelder aan het driebanden. Hij speelde graag drieband. Rekende de juiste hoek uit, plaatste het juiste effect en gaf de juiste afstoot. Hij speelde tegen zichzelf en won altijd. Soms deed ik mee. Dan was hij stiekem heel erg blij. Na twee uur was het etenstijd; bruine rijst met groenten uit de tuin. Vanaf een bepaalde leeftijd mocht ik daar gelukkig Ketchup bij doen.

maandag 4 januari 2016

wijsheid van de dag


brand

Ik ben de hond in je kegelspel. Zie mij kwispelen en kwijlen. Zie mij dweilen met je kranen open. Ik wil je voelen, je water breken. Ik wil je in mijn container gooien en smokkelen naar Engeland. Daar zullen we een krantenwinkel openen en elke dag The Sun lezen. Op zondag zullen we eieren breken en spijkers met koppen slaan.

We hebben wapens nodig. En snoep, veel snoep. Om in het rond te gooien en door kinderhandjes opgeraapt te worden. We zullen geliefd zijn en aanbeden. Als voetbalhelden zullen we door de stad marcheren. Burgers zullen juichen en onze naam scanderen. Ze zullen zich laven aan onze lach en ons dragen op hun handen.

Het was een mooie dag voor een zaterdag, maar helaas was het dinsdag. Alle winkels waren gesloten, er was geen kat op straat. Geen rimpeltje op het water. We keken naar de rimpels op ons gezicht. We waren oud en versleten, moe en geruïneerd. Met ons laatste geld kochten we een ticket voor het reuzenrad. Eenmaal boven zagen we het vuur. Het naderde met rasse schreden. Ze stond effectief in brand, deze wereld. We zagen het met ons eigen ogen.

woensdag 16 december 2015

het dorp

Ik schreef mijn eerste roman. Na twee pagina's was ik uitverteld. Ik ging naar buiten en wandelde in het rond. De buurvrouw stond de stoep te schrobben. Ik zei hallo, maar ze verstond mij niet. Ik was niet van hier, ik was een inwijkeling uit het noorden van Oost-Vlaanderen. Daar schrobben ze ook stoepen. Ook daar verstaan ze mij niet.

Ik wilde mijn dorp beter leren kennen. Het koor had nog een plaatsje vrij. Ik bood mij aan. Vijftien huisvrouwen ontvingen mij met open armen. We zongen over Jezus, over God en over Maria. Daarna praatten we over koetjes en kalfjes. Letterlijk. Eén huisvrouw zag mij zuchten. Ze legde haar hand op mijn rechterdijbeen, fluisterde in mijn oor dat ze mij begreep. Dat ze ook liever over kippen en kuikentjes babbelde. Haar man had de grootste kippenkwekerij van het dorp. Waar vroeger de plaatselijke jeugd les kreeg, liepen nu vijftienduizend gevederde vrienden op een kluitje. Het was een mooie stiel. Die beesten stonken als de pest, maar liefde dat ze gaven, ge houdt het niet voor mogelijk.

Ik knikte en bestudeerde haar ogen. Ze waren bruin met grijze spikkels. Haar wimpers fladderden onophoudelijk. Haar rimpels trilden van excitatie. Als ze lachte zag ik het achterste van haar tong. Ze kakelde maar door, luider en luider. Ik keek op mijn gsm en deed alsof ik een belangrijk telefoontje kreeg. Ik ging naar buiten, naar de regen, de heerlijke regen. De huizen blonken zoals steeds onder te felle straatlantaarns. Opritten barstten uit hun voegen. Dit was mijn dorp, hier was ik beland. Hier moest het gebeuren.

woensdag 18 november 2015

diep geplooid

Ik ben in Canada geweest. In Thailand. In Guinée-Conakry. In Noorwegen en de Faeröer Eilanden. In de Stationsstraat in Peer ben ik nooit geraakt, dat moet ik toegeven. Toch heeft de wereld geen geheimen meer voor mij. Ik ken haar door en door. Ik geloof haar tot in haar diepste plooien. Elke rimpeling, elke oneffenheid, elke ademtocht: ik weet wat ik eraan heb en wat ik kan verwachten. Een windvlaag zal over zeventien seconden die zilverberk doen sidderen, let op mijn woorden. Bladeren zullen straatstenen bedekken, buren zullen vloeken.

Ik vergeef je je kwetsbaarheid. Je tranen. Die keer dat je mij betrapte met dat andere meisje. Je bent zo mooi, ik zweer het je. Je bent de enige die mij kent. Die ik toelaat mij te kennen. Je bent mijn eeuwige rotonde, mijn verkeersdrempel, mijn verkeerd geplaatste wegomlegging. Ze mogen zeggen wat ze willen, maar zonder jou zou ik hier niet zijn. Neen, ik zou een garagebox huren in de Stationsstraat in Peer. Ik zou er onze wagen parkeren en wassen met zeep. Het vuile water zou ik in het rioolputje gieten, daar zijn rioolputjes voor.

Ik heb je nooit een rozentuin beloofd, maar kijk, onze tuin staat er prachtig bij. We hebben meidoorn, esdoorn, schietwilg en knotwilg. Ons gras is wild en ontembaar. Drie grasmachines hebben we al kapot gemaaid. Onze leverancier wrijft in zijn vettige handen. Zijn ogen blinken als we zijn kiezelparking oprijden. Hij maakt een Senseo en grijpt blindelings naar een bestelbon. Hij kent jouw naam, niet de mijne. Zijn balpen doet het werk terwijl hij naar je borsten staart. Zijn neus verraadt een onfortuinlijke bokscarrière. Mijn vuisten jeuken. Ik sla hem finaal naar de diepste plooien van ons vlakke land. In de toonzaal hangt een bosmaaier van Stihl. Dat bakje zal de klus wel klaren. We tekenen voor ontvangst en rijden de avond in. De wind zal ons leiden.

maandag 19 oktober 2015

huiswaarts

Wat zou ik doen zonder mijn kinderen? Wie zou ik zijn? Waar zou ik wonen? Zou ik twee pakjes Tigra per dag roken? Zou ik de hele dag in wit ondergoed naar tv kijken? Zou ik andere kinderen maken bij een andere vrouw? Zou ze dikke borsten hebben? Zwart haar? Scheve tanden? Nee, natuurlijk niet. Ze zou blond zijn, haar lach zou ministers sprakeloos maken. De premier zou naar haar hand dingen en mij zijn portefeuille aanbieden. Maar ik zou er niet aan denken, ik zou zeggen: loop naar de maan. Want daar zou ze gaan. Zoveel schoonheid zou ik nooit verdiend hebben.

Ik zou ze missen, mijn kinderen. Keihard. Tranen met tuiten zou ik huilen. Alles zou ik doen om hen terug te krijgen: vallen op mijn knieën, bidden tot God, smeken tot Fernand Huts. Ik zou zelfs een Facebookpagina aanmaken: IK WIL MIJN KINDEREN TERUG!!! Ik zou al snel vijfhonderd likes hebben. Wie weet zelfs zevenhonderdvijftig. Verbaasd zou ik naar het scherm van mijn chique telefoon kijken. Als ik de tranen ervan zou vegen, zou ik mezelf zien. De reflectie van een vader zoekend naar zijn verleden.

Ik heb ze natuurlijk nog, mijn kinderen. Ze huilen, vallen op mijn knieën, hebben scheve tanden. Nee, dat is gelogen. Hun tandjes zijn perfect. Gelukkig maar. Stel je voor dat ze konijnentanden hadden. Wat zou ik dan doen? Wie zou ik zijn? De paashaas? Moehaha. Ondanks alle malaise in Midden-Brabant en omstreken blijft mijn humor de hoogste toppen scheren. Weergaloos en waterdicht: zo zou ik mijn humor omschrijven. Wezenlijk zou het derde kenmerk zijn. Daarna zou ik huiswaarts gaan.

vrijdag 25 september 2015

FC Retie

Dit verhaal is er een van liefde. Liefde voor groepsverkrachting, prikkeldraad en worstenbroodjes. We spraken af in het centrum van Retie. Ik had mijn blauwe kousen aan, ze waren pas gewassen. Fuck the police, riep ik tegen mijn grootmoeder. Ze juichte met me mee, fluimde tegen de veel te imposante voordeur van het gemeentehuis. We hadden net een heel weekend Scrabble gespeeld, dat deden we altijd als er een nieuw kankergezwel ontdekt was.

De dokters keken langs ons heen. Ze dachten aan hun nachtelijke escapades. Ze droomden van tepelklemmen en buttplugs. Ik zag hun grijns, hun zelfgenoegzame blik, hun opgetrokken neus. Wie waren wij om hun onverdeelde aandacht te verdienen. Wij, dorpelingen zonder doel. Wij hadden niets te betekenen hier, dit was ons territorium niet. Maar wacht als we thuis zijn. De Kutstraat in Retie is ons terrein. Mensen vragen er nederig onze toestemming om populieren te rooien, fietsen in het kanaal te gooien, honden te laten kakken op het voetbalveld van FC Retie.

Daar, op het voetbalveld van FC Retie, heb ik jou voor het eerst ontmoet. Je werd lastiggevallen door twaalf supporters van KV Kilowatt. Het scheelde niet veel of je had het niet meer kunnen navertellen. Vliegensvlug sloeg ik de daders aan diggelen. Ze wisten niet wat hen overkwam, zo een flitsende kracht hadden ze nog nooit meegemaakt. Huilend om hun moeder kropen ze naar hun Mercedessen en hun Audi's. Ik tilde je op, streelde je haren, kuste je lippen. Ik wist dat het ongepast was, maar ik kon niet anders dan je lippen kussen en je borsten strelen. Er was een hogere kracht mee gemoeid. Je was van mij. Van mij alleen. Je was mijn territorium. Mijn eerste en mijn tweede helft. Ik gaf het fluitsignaal en trapte zelf de penalty binnen.

zaterdag 5 september 2015

de varken spoot

Zet een hesp voor je raam vannacht. Pata negra als het even kan. Ik weet dat je vegetariër bent, maar alsjeblief, zet je fucking principes opzij. Schuif ze aan de kant. Negeer ze en eet mij op. Verslind me. Je hebt me nodig. Ik zit vol met ijzer. Vitamine B. Allerhande mineralen. Je zal er zo bleek niet meer uitzien. Je ogen zullen weer blinken. Laat mij ze nieuw leven inblazen. Ik zal heel diep inademen en je vuur een laatste keer aanwakkeren. De vlammen zullen zichtbaar zijn tot in de Kempen.

Laat me nog één keer alleen. Ik heb nog iets af te maken. Nee, niet ons konijntje. Het huppelt te schattig. Het toont mij de weg naar grassprieten en savooikool. Ik haat savooikool. Maar zo tussen het gras en de savooikool huppelt het verdomd schattig. Ik huppel haar achterna. Ik hoop dat we ooit een courgette zullen tegenkomen, maar diep vanbinnen weet ik beter. Ik streel ons konijntje achter de oren. Ze kraait van geluk.

Misschien ligt het aan mij. Misschien ook niet. Misschien ligt het aan ons allebei. Of aan niemand. Stel je voor. Dat het gewoonweg aan niemand ligt. Dat geen enkele klerelijer er iets mee te maken heeft. Dat het gewoon moest gebeuren. Dat het sowieso zou gebeuren. Dat het altijd zou gebeurd zijn, in eender welk scenario. Dat alle mogelijke daden van alle mogelijke mensen in alle mogelijke generaties tot dat ene feit zouden geleid hebben. Dat het ergens in de Kempen zat te wachten tot het allerlaatste dominosteentje zou vallen. Wij zijn die laatste domino. Ik val op jou en jij op mij. Zo blijven we recht tot de morgen toe.

dinsdag 18 augustus 2015

pagina 778

Vijf paar schoenen heb ik al versleten. Zestien wijven heb ik afgebeld. Ze wisten niet waar ze het hadden, huppelden met hun vetkwabben de Noordzee in. De strandwachter zong het themalied van Mega Mindy alvorens hij op zijn toeter blies. Ik wou ook eens op zijn toeter blazen, maar kon de benodigde diploma's niet voorleggen. Hoog van de toren was hij wel. Kortgeschoren hoofdhaar, tanden die blonken in de wind. Zijn speeksel smaakte naar tomate crevette.

Ik geef je mijn hele arm, maar je neemt enkel mijn vinger. Hij past precies in je poepegaatje, dat weet ik zeker. Ik fluister in je oor dat ik het zeker weet. Een zweetdruppel leidt de weg via je ruggengraat tot in je bilspleet. Ik moet denken aan die avond in Zeveneken, toen we samen de kerktoren beklommen. Na anderhalve meter vielen we op de grond, net naast het graf van August Spermalie. Gust voor de vrienden. Pas na twee weken verdwenen de blauwe plekken op onze billen.

Het zeventiende meisje dat ik afbelde nam niet op. Net als alle zestien voor haar. Mijn leven heeft dringend nood aan een telefoonboek, dacht ik bij mezelf. Ik nam me voor om de volgende dag eerst en vooral naar de Hubo te fietsen om een koevoet te kopen. Daarmee zou ik de deur van mijn kelder wel open krijgen. Ergens heel ver en heel diep, onder stapels dag- en weekbladen, lag nog een telefoonboek uit 1996. Ik wist zeker dat het er lag. Ik zou het vinden en vol spanning naar pagina 778 bladeren. Daar, op de voorlaatste regel, zou het staan. Het telefoonnummer van mijn eerste lief. Zij zou mij nooit vergeten. Dat zei ze zelf.

vrijdag 24 juli 2015

wijsheid van de dag


het uur van de kikker

Ik heb al verschillende stenen verlegd in verschillende rivieren op aarde, maar geen enkele stroom ging een andere weg op. Tenzij natuurlijk die ene keer toen ik een betonblok loste in een derderangsbeekje in Erembodegem. Mijn vrachtwagen was te zwaar geladen, zei de rijkswacht. Het was lossen of een nachtje brommen. Bij de eerstvolgende verkiezingen werd de burgemeester zonder pardon weggestemd. Vele jaren later zag ik hem bieten planten in het park.

De jaren negentig vlogen voorbij als een zwerm honingbijen boven een bloemenweide: tergend traag. In 1992 gebeurde er niet veel in mijn dorp. Ik was tien en droomde van 1993. Ik vond dat een mooi getal. Mijn lievelingsgetal was echter nul. Dat rijmde op Hull. Elk jaar ging ik met mijn ouders en zussen naar Schotland. We namen dan de ferry van Zeebrugge naar Hull. Ik hield van Hull. Het rijmde op lul.

In 1996 was het eindelijk zover: mijn teddybeer stierf. Ik begroef hem tussen de brandnetels links van de mesthoop. Rechts van de mesthoop lag mijn waterpistool, zes voet onder de grond. Het was in 1994 ter ziele gegaan. Mijn grootmoeder huilde met me mee toen ze de ajuinen sneed. Ik keek haar aan en hoopte dat het snel 1995 zou worden. En inderdaad, enkele maanden later begon er een nieuw jaar. Zo ging dat in die tijd.

Nu zit ik hier te mijmeren over een godvergeten decennium. Ik kan evengoed wortels schrapen. Ik doe dat graag. Naast revoluties ontketenen, gevestigde orden omverwerpen en bootvluchtelingen redden, is wortels schrapen mijn grootste hobby. U ziet het, ik heb geen kiezels in rivieren nodig om bewijs van mijn bestaan te leveren. Ik schraap wortels dus ik ben. Ik schraap ze tot het bloed uit mijn vingers gutst. Ik hou van bloed. Het rijmt op bolhoed.

woensdag 24 juni 2015

het beloofde land

We wandelden door het beloofde land. Bachten de Kupe. Poperinge zien en sterven, zei ik voor de lol. Je kon er niet mee lachen. De laatste tijd lachte je niet om mijn grappen en grollen. Ik had duidelijk afgedaan. Met onze buurman lachte je wel. Die had een baard en een dikke bmw.

Cry me a river, zong ik zacht in je oren. Een beekje is ook al goed. Of een jeneverglaasje. Desnoods met wat snot erbij. Misschien heb je wel een verkoudheid, dan gaat het vanzelf. Op VIJF speelt een romantische film; laat ons samen kijken en huilen wanneer de smoorverliefde hoofdrolspelers elkaar na drie minuten al moeten verlaten. Romeo en Juliet, maar dan met een happy end, zoals wij, ooit.

Na de crash was je niet meer dezelfde. Je was halfdood en nog niet begraven, maar dat zou niet lang meer duren. De begrafenisondernemer nam je maten op. D-cup, probeerde ik nog voor de lol, maar hij kon er niet mee lachen. Of misschien wel, mocht hij geen oordoppen in z'n oren hebben. De boom waar we tegenaan sloegen staat er quasi ongeschonden bij. Onze lievelingseik. Daaronder gaf je mij voor het eerst een kus.

dinsdag 19 mei 2015

geile pony

De Afrikaan die mijn afwas doet, heeft een verleden. Hij weigert de trap te stofzuigen, dus ik vermoed dat hij ooit in een trappenfabriek werd uitgebuit door een louche Chinees. Of hij moet niet weten van mijn Dyson DC33c Origin. Al moet ik zeggen dat mijn Dyson echt wel elk stofje opzuigt. Fantastische bakje, mijn Dyson DC33c.

Ik geef mijn Afrikaan een koffie verkeerd. Hij roert erin met een vork. Ik lach mijn tanden bloot. Een vork is niet om te roeren, goede vriend. Een vork dient om te prikken. Prik prik prik. Zijn bloed blijkt donkerder dan Heinz Tomato Ketchup. Niet morsen, vriend, mijn Dyson kan niet tegen vocht. Hij excuseert zich eenmaal, andermaal, verkocht.

Ik toon hoe goed ik hinniken kan. Net een geile pony. Ik spring op en neer. Het parket kraakt onder mijn hoeven. Je kleedt me uit. Je wast me. Je poetst mijn tanden. Nog één verhaaltje en dan flink slapen hoor. Het is te donker. Ik doe mijn lampje aan. Een elfje vliegt de kamer binnen, stralend, vol liefde. Geruisloos neem ik mijn vliegenmepper.

dinsdag 12 mei 2015

het volk

We moesten optreden in Zelzate, parel aan de Belgisch-Nederlandse grens. Eerst raakten we de weg kwijt. We bleven rondjes rijden tussen fabrieken, troepjes communisten en een kanaal. Uiteindelijk vonden we toch de plek waar we verwacht werden: het Dageraadplein aan de salafistische kerk. Er was geen kat. In een verre hoek, onder een linde, stonden twee priesters elkaar af te trekken. We deden de koffer van onze Nissan Micra open en merkten dat we onze instrumenten niet mee hadden. Gelukkig maar. We hadden nooit gerepeteerd, speelden zelfs geen enkel instrument. Wie had ons eigenlijk geboekt? We bestonden niet, hadden geen manager of Facebookpagina.

We reden door naar Kemzeke. Het was er zonnig. Bij de eerste grote eik sloegen we linksaf. Na het derde kapelletje nogmaals linksaf. Dan rechtdoor, secondelang, tot we aan het grote podium kwamen. Wat een prachtig podium, zeiden we tegen een passant. Het is de main stage, antwoordde hij bitsig. Zijn hond piste tegen een lantaarnpaal. Is dat de main pole waar uw hond tegen pist, vroegen we grinnikend. De passant zocht een antwoord, maar onze aandacht was al drie minuten elders. De zon verdween achter een wolk. Het volk begon te morren. We schraapten onze keel, de micro's werkten perfect.

Het was niet gemakkelijk om je achter te laten. Je sliep zo vredig, zo diep. Alsof er niets aan de hand was. Mijn trui was je kussen. Ik wou je nog een brief schrijven, maar mijn stylo was leeg en ik vond geen papiertje in je handtas. Er zat wel kauwgom in. Zou nog van pas komen. De weg was nog lang.

zaterdag 9 mei 2015

Hotel Turkmenistan

Die avond in Turkmenistan hadden we voor het eerst ruzie. Je schold mij niet uit, ik gaf jou geen klap, maar we waren kil en afstandelijk. Als we al spraken, was het over banaliteiten. Zaken die er langs geen kanten toe deden. Maar meestal waren we stil en keken elk een andere kant op. Ik naar het water, jij naar de grijze woonblokken. Na twee uur wandelen kwamen we terug bij ons hotel aan.

Ik had jou nooit eeuwige trouw beloofd in goede en kwade dagen. Laat staan bij ziekte, dood, kilte of afstandelijkheid. Toen de burgemeester mij de vraag stelde, knikte ik kort. Het kon evengoed een spastisch trekje geweest zijn. Mijn lippen bleven stijf op elkaar. In het trouwboekje zette ik een valse handtekening. Geen haan die ernaar kraaide.

Je was in slaap gevallen. Ik keek nog even naar tv - in Turkmenistan's Got Talent floot een krachtpatser de zevende van Beethoven met zijn anus - vooraleer ik de stad in trok. Ik wou de Turkmeense bevolking wel wat beter leren kennen. Ik stapte een sushibar binnen en praatte met het personeel. Ze hadden heimwee naar Tokio en stokjes van goede kwaliteit.

zaterdag 25 april 2015

lucifer

We liepen arm in arm, ik vol van mezelf, jij vol met mijn zaad. Onze haren wapperden in de wind. Het hoeveelste kind zou ik al verwekt hebben? Ik snapte de natuur niet volledig, maar één ding wist ik wel: eksters waren de Opel Corsa's van het vogeldom.

Een van mijn kinderen viel van de trap. Ik sleepte de trappenmaker voor de rechter. Mijn kind had recht op een morele schadevergoeding van tien miljard dollar. De rechter had een goeie linker, hij trapte mijn voorzet staalhard binnen. Alleen jammer dat hij mijn zelfgebakken taart niet lustte.

Ik drong bij je binnen, schalks en zelfvoldaan. Je zuchtte niet eens zo diep. Water of koffie, dat zou ik straks wel drinken. Fairtrade koffie, daar kan je van op aan. Zo hebben die boeren in Zuid-Amerika ook nog iets te eten. Ik pompte en ik pompte, er leek geen einde aan te komen. Een houtduif op de elektriciteitsdraad keek door het raam naar binnen.

Mijn grootmoeder belde onverwacht. Ze had haar gebit laten vallen en probeerde mij duidelijk te maken dat ik haar uit de nood moest helpen. Ik deed alsof ik haar niet verstond. Uit de boot schelpen, moe? Wat bedoel je daarmee, moe? De verbinding is heel slecht, ik ga ophangen, moe, daaag. Ik zag haar al door de living kruipen, een zweetdruppel op het voorhoofd, mijn naam op haar lippen.

We wuifden naar een passant. Het wandelpaadje was bijna overwoekerd. Nog enkele maanden en geen kat zou onze rust verstoren. Je vertelde over je vorige vriendjes. Ik kon hen allemaal de ogen uitsteken met een lucifer. Een briquet zou minder handig zijn, dat moest ik toegeven. Onze lach echode tussen de bomen, een merel vloog verschrikt weg. Kon het ons wat schelen.

maandag 23 maart 2015

het plein (werktitel)

Ik stapte het plein over. Een oude vrouw keek op noch om. Ze voederde een duif die koerde van geluk. Ik naderde een terras. Op een luifel stond Ricard geschilderd. Ik kreeg wel zin in een drankje. Ik ging zitten en bestelde een chocomelk.

Ik keek naar het plein. Een fontein spoot water in de lucht. Kinderen speelden met een bal. Toeristen stroomden toe, namen een kiekje en liepen weer weg. Een verfrissend windje stak op. Ik sloot mijn ogen, had genoeg gekeken. Ik viel in slaap.

Ik werd wakker. De avond was gevallen. Het plein was er nog, de fontein spoot nog steeds water in de lucht. De kinderen waren verdwenen. De oude vrouw zat op een bankje. Ook zij was in slaap gevallen. De duif trippelde rond haar benen. Ik stond op, stapte het plein over en wandelde een ander plein tegemoet.

dinsdag 10 maart 2015

rottend rijst

We stonden op, gingen naar beneden, dronken koffie. We liepen naar buiten, naar de regen, de wind, de modder. De boerderijen sliepen vredig. Ze droomden van mortel en keramiek. We lachten, we bulderden van het lachen, we huilden. We voelden ons eenzaam, voelden aan elkaar, we hadden seks in een paardenstal. We hadden laarzen aan, groene laarzen, glad en kil.

We keerden terug. Ons bed was opgemaakt. De lakens gewassen. Het nachtkastje afgestoft. De wekkerradio schreeuwde het uit. We waren jong en onvolmaakt. We waren het gepeupel, het volk in de straat. De wagens reden sneller en sneller. We struikelden het bos in. De laatste bomen kreunden zacht.

We wisten dat het ooit ging stoppen, dat de rijst zou rotten, net als onze tanden. We zouden honger krijgen en ruzie. We zouden elkaar aanraken, onzacht en met de vuisten. We zouden roemloos ten onder gaan, net als onze buren. Maar tot het zover was zouden we in elkaars ogen kijken, om ter langst zonder te knipperen.