vrijdag 9 maart 2012

kwispel

Ik stap elke avond over een beek en kijk omhoog naar de wolken. Ik denk dan na over Jezus. Zijn kruis, zijn ingewanden, zijn holbaard. Ik huil soms. Van verdriet of totale leegte. Van zinloosheid of diepe pijn. Pijn aan de ballen of aan de neus. Mijn ballen hebben hun werk al gedaan. Ik heb twee kinderen. Een dochter en een zoon. Prachtkinderen, wonderen der natuur. Lief en zorgzaam. Goed opgevoed.

Hun mama, mijn vriendin, wordt in augustus mijn vrouw. Waarom trouwen jullie eigenlijk, vroeg haar moeder onlangs. Ik stond even met mijn mond vol tanden. Van mijn schoonmoeder had ik zo'n vraag niet verwacht. Wat moest ik antwoorden? Omdat we elkaar graag zien? Omdat we onze liefde willen delen met al wie ons dierbaar is? Omdat mijn zussen ook al getrouwd zijn en er massa's geld aan overgehouden hebben?

Mijn zussen, wie zal hen redden? Hun echtgenoten zijn vooral met hun carrière bezig. Hun vader is bezeten door biljart. Hun moeder heeft meer last van kwaaltjes dan van haar biljartende man. Hun vrienden zijn op één hand te tellen. En ik, ik sta er ook maar bij en kijk ernaar. Ben ik een waardige broer? Vriend? Zoon? Man? Papa?

Natuurlijk, denk ik dan bij mezelf, starend naar de maan die door de wolken schijnt. Ik ben fantastisch. De coolste man die ik ken. Altijd paraat om iemand uit de nood te helpen, te troosten of goede raad te geven. Bij mij kan je je diepste geheimen kwijt en je meest banale gedachtegangen. Bij mij kan je thee krijgen, koffie of gin-tonic. Ik ben Maarten, hier aan de beek. Je herkent me aan m'n tranen.

vrijdag 10 februari 2012

siegfried

De waarheid moet soms ook verteld worden. Ik klopte gisteren aan bij Siegfried Bracke en verraste hem met een kneep in de ballen. Hij schreeuwde het uit van de pret en begon meteen zijn kat te neuken. Anaal, want het was een kater.

Ik walgde van zoveel tristesse en riep enigszins in de war: 'Maar zielige klootzak toch, kunt ge geen Oost-Europese hoer betalen? Die wonen hier niet ver van! Die verlangen naar omhooggevallen drollen! Die laten u met plezier allerlei vieze dingen doen, zoals met modder gooien en in uw neus peuteren en zo! Die vinden dat plezant!'

Siegfried stopte even met zijn bezigheden en omhelsde in gedachten zijn overleden vader. Waar was de tijd dat hij nog braaf met knikkers speelde en onschuldige wormen in duizend stukjes kapte?

maandag 2 januari 2012

de pottenbakker

Vroeger, toen er van Apple en Bart de Wever nog geen sprake was, speelde ik in velden en op dijken. Bomen, bunkers, vervallen schuren, kreken, boomgaarden: het was mijn speelterrein, mijn territorium. Samen met mijn maat Fred heerste ik er over de wereld.

Ik had een buurman. Zijn tuin was een paradijs, zeker in de winter. Toen zijn vijver bevroren was en hijzelf op reis, haalden Fred en ik zijn tuinstoelen uit de stalling en speelden er dagen aan een stuk op het ijs. Een andere keer, ergens in de zomer, was mijn buurman weer eens weg naar het zuiden. Fred en ik ontdekten een kelderraampje dat nog open stond. Wij naar binnen: tutti frutti's in de frigo en seksboekjes in het nachtkastje; het feest kon niet op.

Mijn buurman had veel vrienden, vooral mannelijke. Al snel leerden mijn ouders mij dat er verschillende soorten mensen bestaan: niet iedereen wil een partner van het andere geslacht. Ik stelde er mij niet al te veel vragen bij. Hij stak nooit een vinger naar mij uit, al mocht ik wel bij hem gaan pottenbakken en mijn zussen niet.

Vandaag is hij vijftig en heeft hij kanker. Hij heeft de hele wereld rondgereisd, zijn eigen huis gebouwd en tot in de puntjes afgewerkt, als verpleger gewerkt en als staalarbeider, hij kwam geregeld een koffietje drinken bij mijn moeder, twee viswijven samen, de problemen van de straat en van de wereld in één teug doorspoelend. Nu is hij terminaal ziek. Het leven van één van de sterkste en gezondste mannen van de Lage Landen zal veel te vroeg eindigen. Hij weet het, zijn vriend weet het, het hele dorp weet het. Maar niemand die er iets aan kan doen, zelfs de patroonheilige van de holboorders niet.

Ik heb nog niet veel miserie gekend in mijn leven, ook al heb ik twee kinderen, een West-Vlaamse vrouw en woon ik momenteel in de ruime periferie van Aalst, arbeidersstad zonder enig gevoel voor vooruitgang. Opgroeien met twee oudere zussen, een belastingcontroleur als vader en een halve jodin uit Antwerpen als moeder, was evenmin een sinecure. Mijn grootouders stierven allemaal toen ik nog jong was. Ik huilde soms als ik het laatste kruimeltje van de cake niet kreeg. Ik kreeg hooikoorts op mijn negentiende. Ik ben maar een meter achtenzeventig. Ik word soms nat van de regen en heb niet genoeg geld om een deftige camionette te kopen. Kortom, mijn buurman die triest voor zich uit staart, pijn lijdt en niet anders kan dan wachten, is veruit het ergste dat ik in dertig jaar tijd heb meegemaakt.

maandag 5 december 2011

vlissingen

Ik dacht even dat ik kon vliegen, maar het was Jaak Pijpen die mij optilde en op een vensterbank van het VVV-kantoor in IJzendijke plaatste. Ik trok ostentatief mijn wenkbrauwen op, maar hij negeerde alles en iedereen. Zelfs toen een taxichauffeur 'Hup Holland Hup' riep, bleef hij nietszeggend naar de hemel staren.

Twee dagen later kwam ik aan in Vlissingen. De meeuwen krijsten als nooit tevoren. Een verdwaalde hond kwam aangesjokt en snuffelde aan mijn ballen. Honden hebben altijd die neiging. Al van toen ik klein was zaten honden in mijn ballen te wroeten. Van heinde en verre kwamen ze aangelopen, soms in colonne. De ergste keer was op vakantie in Griekenland, eind jaren tachtig: ik werd bedolven onder de honden. Mijn ouders moesten op elke wandeling kilo's droge worst meenemen om die kutbeesten af te leiden.

Nu was het dus een Vlissingse straathond. Ik gaf het beest een stamp en wandelde naar de dichtstbijzijnde winkelstraat. Alles was gesloten. Enkel een patatkraam serveerde walgelijke vetbollen aan een dikke neger. Ik vroeg de weg naar café de Reisduif, maar noch het patatkraam noch de dikke neger kon mij helpen. Ik ging zitten en bestelde een Heineken. Het kon hier wel dolle pret worden.

woensdag 26 oktober 2011

wankele walvis gaapt tegen sterren op

Ik stierf niet eenmaal, niet tweemaal, zelfs niet driemaal. Nee, ook niet viermaal. Of vijfmaal. Of zes-, zeven-, acht-, negen- of tienmaal. Nee, ik stierf helemaal niet. Met andere woorden, ik leefde nog een beetje. Net genoeg om nog te kunnen ademen. En te ruiken, voelen en horen. En je te zien weggaan. Naar het hotel. Met je valies in de hand. En je kleren erin. En je kousen binnenstebuiten. En je tranen op je wangen. Je veegde ze niet eens weg. Iedereen mocht zien hoe verdrietig je was. Zelfs Koen Crucke, die toevallig passeerde met een banaan in zijn mond.

Ik ademde nog steeds, want dood was ik niet. Ik keek naar links. En dan naar rechts. Ik deed even niets. En dan keek ik weer naar links. Ik zag een hond. De hond kwispelde keihard tegen een paal. Dat maakte een hels geluid. Ik gooide een osb-plaat naar de hond. Hij jankte en sjokte heen. Ik keek terug naar rechts. Ik zag jou verdwijnen achter de hoek. Koen Crucke passeerde met een banaan in zijn hand en een grijns op zijn verwijfde smoel. Nog voor hij hallo kon zeggen, riep ik 'Zwijg, achterlijke Turk, zwijg!!!'

Inderdaad, drie uitroeptekens: zo luid riep ik. Het speeksel vloog uit mijn mond. Koen Crucke likte het dankbaar op. Ditmaal was hij mij te snel af: nog voor ik iets kon roepen, zei hij met een knipoog: 'Gaat ge niet mee met mij naar de Capitole vanavond?' Ik stond daar met mijn mond vol tanden. Ik knikte verdwaasd van ja en een paar uur later zaten we samen naar Daens, de musical te kijken.

dinsdag 11 oktober 2011

de schwung

Ik ben ook maar een mens. Ok, geniaal en hyperknap, maar toch: een mens. Ik kan weinig doen aan het leed op aarde, zelfs al zou ik dat keihard willen. Ik smeer liever mosterd op de boterhammen van demente bejaarden om te zien hoe ze reageren als hun neus in brand staat. Boeiend, dat wel, grappig meestal ook, maar echt bevredigd raak ik er toch niet van.

Ik dwaal rond door de stad. Uilskuikens kruisen mijn pad. Vlaams-nationalisten zwaaien met hun vlaggen en roepen om hun moeder. Ze stoppen bij een standbeeld van mijn voeten. Hun valse gezangen worden niet gehoord, ze worden genegeerd als nooit tevoren. Zelfs de stadsduiven blijven rustig vechten om een gevallen friet.

Ik vlucht een groentewinkel binnen. Een oud vrouwtje verkoopt courgettes, wortelen, prei, look, patatten en ajuinen. Ik koop een bussel prei en ga naar huis. Eenmaal thuis maak ik preisoep. Overheerlijke preisoep. Echt de beste preisoep die ik ooit gegeten heb. Ik eet zeker drie borden. Ik schreeuw van genot. Fucking goeie preisoep! Niet veel later weet Frank Deboosere te melden dat het warm is voor de tijd van 't jaar.

dinsdag 13 september 2011

smekkend door het leven

Continuïteit is cruciaal, zei mijn grootvader elke zondag toen hij in het kruis van meneer pastoor schopte. Zijn stalen tippen kwamen goed van pas. Leve de vakbond, schreeuwde hij vervolgens in café De Gouden Appel. Mariette, ook wel het monster van Loch Ness genoemd, keek liefdevol op. Ze mocht dan wel scheel zijn als een otter, mannen als mijn grootvader konden haar alles vragen.

Mijn grootmoeder zweeg als vermoord toen ik mijn grootvader een half uur later met de kruiwagen naar huis bracht. Hij was strontzat en zong liedjes van Get Ready. Ik wist dat mijn grootmoeder een koekje gaf als ik hem op de composthoop dumpte, maar vandaag had ik er geen zin in. Ik dumpte hem in de kakbeek en vroeg een glas limonade.

Tegen het avondeten werd mijn grootvader meestal wakker. Hij zoende mijn grootmoeder vol op de mond, greep haar tussen de benen en samen gingen ze naar boven. Ik at dan braaf mijn boterhammen op. Als ik luid genoeg smekte hoorde ik hun hees gekreun niet.

maandag 20 juni 2011

het smeersel

Ik voel je angst als ik in galop over je heen rijd. Je slaakt geen zucht, knippert niet met je ogen, geeft geen krimp. Je zoekt geen afscheid. Mijn excuses aanvaard je met de glimlach, een minzaam lachje dat mij leegzuigt en al mijn moeizaam opgebouwde zelfzekerheid tot stof verpulvert. Ik kijk door het raam, een windvlaag doet knotwilgen plooien.

Mijn tranen voelen kil aan, verwilderd, doelloos. Ik hou ze bij in een potje van de Aldi. Ik kijk ernaar de hele nacht. Ik val in slaap, eenzaam opgekruld in de leren sofa, gekregen van mijn ouders. Italiaans design, ooit vlekkeloos en futuristisch, nu tot op de naad versleten en so nineties. Ik voel mijn veel te lange haren plakken aan opgedroogde cuba libre.

Ik wandel door een stad, een omhooggevallen dorp of een verlaten industriepark, het maakt niet uit. Er is niemand om mij op te vangen, frieten te voeden of cécémel te verkopen. Ik slenter maar door, van achter naar voor, van links naar rechts. Ik hou halt bij elk bushokje, maar telkens ontbreekt de uurregeling. Ik staar naar het blanco blad van De Lijn en voel dat de eindafrekening niet lang op zich kan laten wachten.

woensdag 1 juni 2011

de bakkerin van oordegem

Ik heb een zoon. De meest schattige zoon ter wereld. Iedereen mag het weten, zelfs mijn dochter. Zij gaat daar trouwens mee akkoord. Zo fantastisch is ze. Ze komen goed overeen, die twee. Spelen tegen de sterren op, maken bijna nooit ruzie, zijn constant samen. Als slechts één van de twee meegaat naar de bakker in plaats van allebei, neemt hij of zij steevast een snoepje voor de ander mee.

De enige die geen snoep krijgt bij de bakker omdat hij al volwassen is, ben ik. Al prop ik soms wel stiekem eentje in mijn mond als de bakkerin het brood snijdt. Dan is het kwestie van vlug door te slikken zodat ik tijdig alstublieft en dankuwel kan zeggen alsof er niets gebeurd is. Genieten doe ik dus nooit van die spekken.

Ik maak dat fundamentele onrecht (als volwassene geen snoepje krijgen bij de bakker) wel ruimschoots goed als de kinderen slapen. Dan eet ik snoepen tot ik erbij neerval. Mijn toekomstige vrouw laat mij begaan, maar heeft toch een zekere teleurstelling in haar blik. Ik lach dan schaapachtig en masseer vlug haar nek. En zo gaan we liefdevol naar bed.

woensdag 4 mei 2011

de kunst

Later, als ik dood ben en gecremeerd en mijn as is uitgestrooid boven de middenberm van de E40, ergens tussen Wetteren en Erpe-Mere, herinner mij dan als mystieke kippenverzamelaar en hondstrouwe vrouwenverslinder.

Ik heb hem nooit persoonlijk gekend, maar Koning Boudewijn was ongetwijfeld een arrogante jeanet met een stinkende bek en hangende pootjes. Die kille ochtend in Winterslag, toen hij een plaatselijke boer uitmaakte voor rotte vis, was slechts het topje van de ijsberg.

Zet een hesp voor je raam vannacht, zodat ik weet dat je naar me smacht. Ga en vermenigvuldig je hersencellen. Kom pas terug als het bushokje geel geverfd is. Kanariegeel of meer naar de okerkant toe, dat hangt volledig van het lot af.

vrijdag 8 april 2011

achttien

Ik nam Jaak Pijpen bij de neus. Hij schreeuwde het uit en bedankte me vervolgens uitvoerig. Mijn missie was geslaagd, maar mijn boswandeling moest nog beginnen. Ik stapte het bos in en liet mij leiden door platgetreden paden. Hoog in de lucht zagen wolken dat het goed was.

Mijn grootvader, een edelman met tien geiten en een paard, maakte ooit komaf met het gepeupel in zijn dorp. De resterende bevolking, tien geiten en een paard, verafgoodde hem nog meer dan voordien. Toen hij ook nog een dreigbrief stuurde naar de koster van het naburige dorp, kon zijn dag niet meer stuk.

Mijn lot zal ooit uit de anonimiteit treden. Het zal opstaan en luidkeels declameren dat ik de eerstvolgende straat linksaf moet, peperdure gps en sterk ontwikkeld oriëntatiegevoel ten spijt. Het zal mij een onbekende weg insturen, langs kanalen en verlaten industriegebieden. Duiven en vossen zullen vluchten als ik nietsvermoedend een liedje van K3 neurie.

vrijdag 11 maart 2011

honden in mei

Ik hou van je. Gisteren, vandaag en morgen. Overmorgen waarschijnlijk ook. Ik ben geen visionair of Willem Tell, maar neem één ding van mij aan: ik hou van je. Hoe vaak heb ik het al gedacht? Hoe vaak lag het op het puntje van mijn tong? Hoe vaak wilde ik het je vertellen, maar was de timing net niet goed genoeg of gaf je mij niet de kans om iets te zeggen?

Je bent heerlijk. In bed, op reis, in de keuken. In Waarschoot hopelijk ook. Ik haat Waarschoot, maar wie weet belanden we er ooit. Misschien staat er ooit een prachtig hoevetje te koop voor een appel en een ei. Misschien trekken we ooit naar Libanon en bouwen er een moskee voor ons twee. Dan kunnen we samen bidden, jij tot mij en ik tot jou.

Ik ben geen atleet, burgerlijk ingenieur of succesvol comedian. Ik ben mijn eigen humeurige zelf. Ik doe tweemaal daags kaka, ga om de drie weken een halfuur joggen en eet snoep tot mijn tanden branden van de pijn. Toch ben ik al vier jaar niet naar een tandarts geweest. Ik ben wie ik ben: verliefd op jou, wachtend op jouw jawoord.

zaterdag 26 februari 2011

pijnlijk schaap

Ik omzwachtel mijn fantasieën over Mieke Vogels, Miet Smet en Jan Bardi. Ze bepalen al veel te lang mijn doen en laten. Elke keer ik aan seks denk of doe, sluipt dat bizarre trio op de voorgrond. Eerst nog subtiel, maar na een paar minuten walgelijk in het rond springend met hun vetkwabben, afgeleefde borsten en bejaarde lul.

Mijn psychologe zegt dat ik dringend mijn verleden moet doorgronden. Dat daar de oorzaak en oplossing van het probleem kunnen liggen. Als ik dan antwoord dat ik geen problemen héb, barst ze net niet in tranen uit en kijkt intriest naar het voorbijrazende verkeer op de Brusselsesteenweg. Waarom ben ik in godsnaam ooit in Gentbrugge beland, zie ik haar denken.

De sessie erop praten we een uur lang over koetjes en kalfjes. Ik vertel over mijn postzegelverzameling, zij wijdt uit over haar moestuin. We lachen samen met een Pakistaan die het zebrapad niet durft oversteken. Pas als ik 50 euro betaald heb en haar deprimerende kantoortje verlaat, stelt ze die ene pertinente vraag, de vraag die mijn leven voorgoed binnenstebuiten keert en zin geeft. Ik knik zachtjes en spring op mijn fiets. De dag is nog lang.

maandag 21 februari 2011

doorslaande stoppen

Veel kans dat mijn tenen straks krullen als ik je terug zie. Je reis naar Moskou duurde twee weken. We belden om de veertien dagen. Geen enkele keer dus. Ik werkte me kapot: spitten, spuiten, spuwen. Iedereen die me trachtte tegen te houden, kreeg een kruiwagen cadeau. Na vijf dagen had de Brico geen kruiwagens meer. Ik reed naar de Gamma, de Heco en de Hubo en kocht er de hele kruiwagenstock op. Moe maar voldaan keerde ik huiswaarts.

Straks verschijn je daar door die deur. Eerst de voordeur, je voetstappen in de gang, dan de keukendeur. Je zal zuchten bij het zien van zoveel rommel. Je zal al vloekend binnenkomen. Ik zal buigen, plooien, schijnheilig glimlachen. Verklaren dat het extreem druk was, dat er geen tijd was om op te ruimen. Dat de buren ziek waren en dringend koffie nodig hadden. Dat het de hele tijd regende in Schotland. Dat we niet in Schotland woonden, maar toch, komaan, snap je?

Ik zet de tv aan. Op Reyers Laat laat Lieven Van Gils zich volledig gaan. Ik neem een glas cognac en probeer niet te hoesten bij m'n eerste slok. Tevergeefs. De kraan biedt water, mijn leven steigert. Ik hoor de voordeur, de gang, de keukendeur. Een hond komt binnen, nat van het zweet. Hij kwijlt en zevert, kakt op het tapijt en rent dan weer weg. Ik blijf verbijsterd staan, geniet van het moment, probeer het vast te grijpen, voor eeuwig en twee dagen. Ik denk niet langer, voel niets: zo wil ik straks handjes schudden.

dinsdag 8 februari 2011

de botvangers

Er was geen wezenlijk verschil tussen honger lijden en naar Thuis kijken. Mijn toestand daarentegen was gloednieuw: dromend van Zwevezele by night. Mijn huiskat zat op de vensterbank en loerde naar het levende mummie dat Marianne heet. Haar man - dokter Geert - acteerde weer eens de pannen van het dak. Ik kokhalsde bij zoveel tristesse.

Mijn zussen groeiden samen met mij op in het onooglijke dorp Boekhoute, parel aan de Belgisch-Nederlandse grens. Vissersdorp zonder haven. Jaarlijkse hoogtepunt: de Garnaalfeesten. Tijdens die feesten maakten wij altijd dat we iets in Gent te doen hadden. Terwijl mijn ene zus foute vrienden opzocht, ging ik met mijn andere zus naar de Bourgoyen om zeldzame zwanen te spotten. Ja, zo waren wij wel: jong en ambitieus, echte lefgozers.

Water gleed van de voorruit. Mijn Daewoo Lanos brulde van plezier, zijn ruitenwissers konden de zondvloed met moeite aan. Een bejaard vrouwtje keek mijn richting uit. Ik zwaaide en stak vervolgens mijn fuckvinger uit. Ze sloeg een hand voor haar mond, trok haar wenkbrauwen op en struikelde over haar keffer. Ik stapte uit en nam het dier in mijn armen. Tranen rolden van onze wangen.

dinsdag 1 februari 2011

brief aan bart de wever

Waar is de tijd dat we samen in het grasveld lagen en naar de overdrijvende wolken keken, op zoek naar vormen uit het dagelijkse leven? Jij zag steeds hangtetten, ik meende vooral Disneyfiguren te ontwaren. Op zo'n heerlijke zondagmiddag zei je plots 'Ik haat het leven' en niet veel later lag je te kotsen op boter- en paardenbloemen. We belden je mama op, maar zij reageerde onverschillig: 'Ach, ons Bartje heeft nu eenmaal een zwakke maag.'

Je hield van mij en ik van jou. In de klas streelde je stiekem mijn rechterdijbeen. Na een tijdje werden je handen klam van het zweet en begon je zwaar te ademen. Als de juf dan vroeg in welk jaar de Guldensporenslag plaatsvond, kon je enkel 'Lang geleden?' stamelen. De hele klas barstte in lachen uit, ik weet nog goed met welke blik je toen naar de grond keek. De blik van een geslagen hond, eenzaam en verlaten, trouw maar zonder baasje.

In het vijfde middelbaar scheidden onze wegen. Ik had nieuwe vrienden, jij had honger. Het ging steeds meer bergaf met jou. Geen mens kon je tegenhouden en enigszins in een andere richting rollen. Op een marginale fuif in Eeklo zocht je weer toenadering. Je klampte me aan in het herentoilet, ik rook je lookadem en schudde je van me af. De vernedering was totaal toen je even later op de BeeGees stond te dansen. Het hoongelach was oorverdovend. Vol ingehouden woede stapte je naar huis. Niet veel later hoorde ik dat je de politiek was ingegaan.

dinsdag 25 januari 2011

het maagdenvlies

Ook vandaag liep ik te praten tegen mezelf. Tussendoor floot ik opgewekte deuntjes. Niemand begreep mijn optimisme, niemand zong mee. Ik keek naar een roltrap, at een Luikse wafel, kocht een dagblad en dronk een koffie. Het wisselgeld hield ik voor mezelf.

Een dode hond kruiste mijn pad. Ik aaide over zijn uitgevreten karkas. Hoorde ik stil gejank? De maden konden het niet zijn, die waren al lang weggetrokken, door hoge bergen en diepe dalen, langs zeeën en rotskusten, op zoek naar een nieuw lijk dat hen enkele dagen van de nodige voedingsstoffen kon voorzien.

Mijn flesje Spa was bijna leeg. Ik dronk een laatste teug. Water, ik lustte het wel. Ik hield wel van kerken en kathedralen, maar nooit van mijn leven zou ik onderbroeken breien.

zaterdag 22 januari 2011

mijn wereldfenomeen

Mijn liefde voor jou is diep, zo diep. Dieper dan de put waarin we gisteren samen kotsten na een nachtje stappen. Die laatste mojito was er toch te veel aan. Ik kon niet meer spreken en wandelen bleek ook geen sinecure. Jij riep tegen iedereen die het wilde horen dat Bart De Wever een dikke hoer was met scheve tanden.

In het holst van de nacht werden we opgeschrikt door een vlucht gierzwaluwen. Ze krijsten onheilspellend, en inderdaad, het onheil volgde niet kort daarop. Een taxi reed door het rood en maaide je van de weg. Je laatste blik was naar mij gericht.

Deze ochtend werd ik wakker met een fikse kater. Jou was ik kwijt en mijn portefeuille ook. Ik kon er niet aan doen, maar het eerste waar ik aan dacht was het voetbalveld van FC Twente. Die Hollandse kutploeg werd geleid door Michel Preud'homme, wat een achternaam is dat toch. En over scheve tanden gesproken...

De wolken overdreven als vanouds: grijs en miezerig domineerden ze het hele land. De stuurstang waarmee ik een onschuldig oud vrouwtje het hoofd insloeg, zou nooit meer als stuurstang gebruikt kunnen worden. Het was onherroepelijk geplooid. Ik gooide het bij de rest in de hoek van de tuin. Enkel een straatkat keek even op.

maandag 27 december 2010

de mangopeller

Op een dag liep Joost ten Node tegen de deur van de Hema. Ik wist dat hij ging huilen, en inderdaad, hij huilde. Hij huilde tegen de sterren op. De winkelbediende voelde diep in zijn zakken en vond een oude zakdoek, die hij terstond aan Joost gaf. Joost stapte resoluut de winkelstraat in, zakdoek in de hand. Ik wist dat hij de tram niet zag, en inderdaad, enkele ogenblikken later lag hij dood onder de tram.

Jan zat op de tram. Hij was gehaast en at nougatbollen. Een bende homo's lachte hem uit. Een vrouw keek meewarig. Een kind maakte nonstop geluidjes met de tong. Een bejaarde dame liet een scheet. Een man belandde onder de tram. De tram moest stoppen. Jan vloekte.

De wijn smaakte zoet. Het was zoete wijn. Ik hield mijn adem in. Wanneer zou het allemaal eindigen? Het antwoord leek nog irrelevanter dan de vraag: nooit, jamais, nuucht, nochitnangoanditoehsicugqhmeneiiiuuuuu. Welke taal is dat? vroeg mijn dochter. De taal der gehandicapte schlemielen, mijn kind, antwoordde ik vol overgave. Ze dacht even na en liep dan heen.

woensdag 8 december 2010

doesdoes

Wijven, ik heb ze graag. Hoe ze hun nagels lakken en mijn hielen likken. Hoe ze de mosterd in de frigo steken. Hoe ze beven telkens ze met hun BMW X5 door het rood licht rijden. Het zijn wijven voor iets, dus ik geef hen wat ze verdienen: winkelkarretjes op leegstaande parkings van de Aldi.

De dag dat ik de waarheid vertel, mag men mij straffen met goddeloosheid en liters gele verf. Ik zal deemoedig het hoofd buigen, knipogend naar het trottoir. De wereld zal mij dankbaar zijn, maar ik zal niet plooien. Noem mij zielig, dik of ronduit apathisch, plooien zit niet in mijn genen.

zondag 28 november 2010

de frietketel die verlangen heet

Ze danste uren aan een stuk, tot ik erbij neerviel. Vermoeidheid maakte zich van mij meester. Ik kreeg een klop van de hamer. In Hamburg vertrok een trein op tijd. Ze rende alsof haar leven ervan afhing. Later besefte ik dat haar leven er effectief van afhing; enkel Jezus rende voor de lol.

Haar wasserette was proper. Geen klasse-etablissement zoals le Chateau du Lac in Genval, maar toch: de mensen kwamen er graag. Op een grijze ochtend stonden er steevast vijf eenzame zielen hun kleren te wassen. Kassa kassa.

Ze hield van rode wijn, witte wijn, citroenjenever en mineraalwater. Rond haar ogen verschenen rimpeltjes als ze lachte. Ze lag languit in een leren zetel. De winkelbediende van Chateau d'Ax maande haar aan het gebouw te verlaten. We staken de rivier over, onbesuisd en vol dromen. We zwaaiden naar een oude visser.

vrijdag 19 november 2010

de zwijnenkeuring

Ik hield van haar, ook al negeerde ze mij straal. Ik verlangde, hunkerde en greep naar haar lichaam. Ze schonk haar hond alle aandacht. Het was inderdaad een leuk hondje, zo'n schattig golden-retrieverpuppy. Wie smolt daar niet van? Ik ging naar het toilet en deed wat men van mij verwachtte.

Mijn leven bestond niet zonder haar. Ik kon net zo goed vuilnisbak worden. Of politicus. Ik sprak haar aan: hoe komt het dat je zo mooi bent? Ze viel uit de lucht en landde op mijn gevoelige teen. Ik schreeuwde het uit. Ze viel achterover. Ik redde haar van een buil op het achterhoofd. Ze was mij eeuwig dankbaar.

Vandaag, negen na negen. Ik zet koffie. Een held ben ik nooit geweest, dat weet zij ook. Ik zoek haar warmte op, haar venusheuvel, haar zachte lippen. Ze rekt zich uit, langzaam en onweerstaanbaar. Zou ik haar zeggen dat ze alles voor me is?

zondag 31 oktober 2010

adebayor

Tom Waes kent geen fluit van wasknijpers, zei mijn grootvader net voor hij de pijp uitging. Het was een hete middag in Zwevezele en wespen vlogen af en aan. Wasknijpers, ging hij verder, bestaan in allerlei maten en gewichten. Die van de Aldi zijn rampzalig, na twee keer zijn ze kapot. Maar die van de Colruyt zijn ook niet echt dat, er zit veel te weinig spankracht op, waardoor iets zwaardere kledingstukken steevast op de grond vallen.

Ik blijf fan van de houten knijpers, ook al steken de plastieken varianten hen in kwaliteit voorbij, aldus mijn grootvader die ondertussen een éclair at. Ja, jongen, ik voel dagelijks een onweerstaanbare drang om éclairs te eten, zei hij elke keer toen ik bij hem op bezoek kwam. Mijn grootvader, de hansworst, zag niet in dat Citroën Berlingo's, Peugeot Partners en Renault Kangoo's gewoonweg krak dezelfde auto's waren. Met veel misbaar trok hij zijn ogen op en riep: Turken, dàt zijn pas keikoppen.

Ik voelde dat hij niet lang meer te leven had. Mijn handen trilden van angst en van de freesmachine waarmee ik zijn tuin omploegde. Spitten was voor jeanetten, zei mijn grootvader altijd. Hij huilde zelden, dat is correct. De enige traan die ik ooit bij hem heb zien vallen, was er eentje van verwaarloosbaar allooi.

zaterdag 30 oktober 2010

jaap & piet

Alles begint en eindigt bij die ene vraag: wie in godsnaam is Jaap Stam? Ik vraag het me elke avond af, meestal bij het douchen rond half tien. Mijn kinderen tekenen op posters van afgelopen festivals. Als er toevallig stickers in de buurt zijn, plakken ze de posters ermee vol. Ze amuseren zich en huilen als ze pijn hebben, zo simpel kan het leven zijn.

Mijn vriendin, de mooiste vrouw ter wereld, zwijgt soms. Heel soms. Meestal zoekt ze het gesprek op, ook als ik in andere oorden vertoef. Ik knik dan en zeg om de tien seconden hmm. Ze vindt dit niet zo erg, mijn vriendin. Ik hou van haar. Hoe ze lacht, hoe ze het hele gezin staande houdt, hoe ze een bromvlieg boos aankijkt, alsof dat beest doelbewust en met voorbedachten rade onze living is binnengevlogen.

Mijn meesterwerk moet nog komen; ooit zal het zover zijn. Ik moet blijven geloven, blijven bidden tot Jezus' ballen in tomatensaus. Hij lacht heel zelden, maar als hij lacht is het wel prijs. Dan kan zelfs Piet Huysentruyt er niet tegenop.

vrijdag 29 oktober 2010

verwikkeld

Een fiets. Ze reed op een fiets. Zo'n typisch Hollands model. Misschien was ze zelf wel Hollands. Hier in Terneuzen leek dat wel aannemelijk. Ze had alleszins benen om u tegen te zeggen, zo in dat opwaaiend rokje. Ik kon bijna haar slipje zien - niet dat ik dat probeerde, hoor, zo ben ik niet. Ik keek haar bewonderend aan, ze lachte me spontaan toe. Pas toen ik twee uur later thuis kwam, merkte ik dat mijn tirette al die tijd open had gestaan. Ik nam de fles Gin en spoelde geroutineerd mijn schaamte weg.

Mijn vader, een man met een passie, werkte zich op tot gerespecteerd ambtenaar. Hij vervulde zijn ambt zoals het hoorde: trefzeker, broeierig, op hete kolen. Zijn baas, de minister van Financiën, wist ook wel dat hij bij mijn vader niet moest aankloppen om Vera Dua binnen te doen.

Walgelijk hoe alles met elkaar verbonden is. De schoorsteen spuwt roet in het eten, ik lig urenlang te wachten in de sofa, Walter Capiau dringt een salsabar binnen. Hij voelt zich Lieven Verstraete, Ter Zake-anker en sambaliefhebber. Met vloeiende heupbewegingen stapt hij op zijn doel af: de chihuahua van bij de bakker om de hoek. Ik weiger te geloven dat dit het hoogtepunt van de avond is.

woensdag 13 oktober 2010

de passie voorbij

Ik wandelde met mijn hond door velden en vervuilde grachten. Hij keek liefdevol naar mij op toen ik zuchtend mijn hoofd schudde. Mijn leven bestond uit weinig meer dan onkruid wieden en patatten planten. Mijn azalea's stonden er wel fantastisch bij, dat moest ik toegeven.

Ik huilde bij het zien van mijn dak; het fonkelde vervallen in de zon. Eén storm en ik mocht onder de open hemel slapen, net zoals mijn hond. Het beest kwispelde als altijd; wist hij veel hoe het leven in elkaar zat. Ik ging zitten onder de appelboom en neuriede iets wat ooit een lied was.

De dag passeerde. Ik weigerde op te staan. Wandelaars vroegen zich af waar het pijltje van hun wandelroute zich bevond. Ik had het enkele dagen eerder in een opgewekte bui zwartgeschilderd. Ze moesten maar wat improviseren op hun kuttocht, eens zot doen, alle remmen los. Wie weet wat ze dankzij mij allemaal zouden meemaken.

zaterdag 25 september 2010

mik, mak en de vieze gasten

Een jongedame stond aan de kant van de weg te liften. Ze droeg een bril en geen bh. Ze had bruin haar en hangtetten. Op haar zelfgemaakt kartonnen bordje stond 'Groningen'.

Ik moest de andere kant op, maar stopte toch. Ze deed de deur open en vroeg of ik naar Groningen ging. Eerlijk als altijd antwoordde ik: 'Nee, ik ben op weg naar de Weba.' Het meisje draaide met haar ogen en vroeg: 'In Deinze?' Waarop ik: 'Nee, Gent.'

Ondertussen tikte een Zwaantje met zijn rubberen fallus op mijn raam. Hij wist te melden dat zijn tandvlees ontstoken was en dringend een lift naar het dichtsbijzijnde ziekenhuis nodig had, aangezien hij van de pijn niet meer zelfstandig kon rijden.

Daar zat ik, tussen hamer en aambeeld. Ik keek van creperende flik naar Hollandse hangtetten en dacht aan de grote vakantie, vijftien jaar geleden, toen de takken veel te luid onder mijn schoenen kraakten bij het bespieden van een zonnebadende buurvrouw.

dinsdag 31 augustus 2010

pokerface

Ik wil aambeienkontifuur, zei mijn dochter vanmorgen aan tafel. Het waren pannenkoeken en we hadden er al met bruine en lichtbruine suiker van Candico gegeten. Het waren pannenkoeken omdat er geen brood meer was en we geen zin hadden om naar de bakker te rijden.

Weinigen weten dat ik in Lissabon naar de hemel heb staan staren. Praktisch niemand weet dat ik ooit in Puente la Reina afscheid heb genomen van mijn oude ik. Er was een oud kerkje, ik brandde een kaarsje en nam afscheid. Totale rust kwam plotseling van alle kanten op mij afgestormd. Ik rolde een sigaret, stak hem aan, inhaleerde diep en blies de rook in kringetjes die na twee seconden verdwenen alsof er niets was gebeurd. Alsof ze weigerden toe te geven dat ik kringetjes kon blazen met sigarettenrook.

Twee dagen later, het regende oude wijven, kwam ik niemand bijzonders tegen. Dus deed ik maar verder waar ik toen, en nu nog steeds, het best in ben: onverschillig rondhangen op historisch waardeloze en daarom totaal verlaten dorpspleinen.

maandag 16 augustus 2010

mise en seine

Ik hou van prutsers: net als ikzelf zoeken ze hun leven lang naar pissebedden. Onder stenen of in verrot hout, who cares. 's Nachts of in kille regenbuien, met een Maglite of een oplichtend gsm-schermpje, whatever. In vol ornaat of bevend van verdriet; de beesten blijven domweg vluchten naar het donkerste hoekje van mijn onderbewustzijn.

Mijn kinderen zijn jong en onwetend. Alhoewel, je mag hen ook niet onderschatten. Ze weten maar al te goed wat ze wanneer en op welke manier moeten zeggen. Alles wel beschouwd zijn het geniale wonderen der natuur. Het zou mij niet verbazen mochten ze later dokter worden of een blog bijhielden vol irrelevante tekstjes.

Ja, u leest het goed: wijn smaakt altijd beter na slaande ruzie met een bende Hollanders. Ik sla, zij incasseren. Zij slaan, ik doe een Forrest-Gumpje. Rennen alsof mijn Nikes ervan afhangen. Hijgen, omkijken, rochelen in het gezicht van een oud vrouwtje, struikelen over het reservewiel van een rolstoel. Eenmaal thuis plof ik in de zetel en zoek de eerste de beste pissebed die mijn gedachten doorkruist.

donderdag 12 augustus 2010

billy

Mak als een vers geslacht lammetje liep ik door het dorp van mijn dromen. Ik zocht niets, ik volgde niemand. Ik hoorde het klapwieken van een omhooggevallen duif. De rode bieten in een piepkleine moestuin stonden er weelderig bij.

Ik stopte bij een bushokje en vroeg er de weg naar een onbeduidende plek. Een vrouw met een halflang kleedje luisterde naar haar IPod. Ik hoorde vaag een gitaarsolo van Jack White. Het kon ook Tom Dice zijn. Haar adem rook naar wortelpuree. Ik knipoogde bijna volmaakt en stapte toen verder.

De dag liep ten einde toen mijn schoenveter open ging. Ik bukte me en deed mijn schoenen uit. Op kousevoeten hield ik het laatste sprankeltje zonlicht nauwlettend in het oog, tot het verdween achter een marginale wasserette.