vrijdag 21 augustus 2009

in de mix

Het gebeurde wel vaker dat ik niet wist of ik nu in je ogen dan wel naar je mond moest kijken, maar deze keer was de twijfel echt enorm. Ik koos uiteindelijk voor je neus. Mooie neus, dat wel, maar erg veel energie haalde ik er toch ook niet uit. Ik keek even naar de hemel achter jou. De hemel was blauw, hemelsblauw. Ik zag je spreken, maar hoorde niets. Ik zag je knipperende ogen, je mooie lach, je Colgate-tanden. Een duif vloog voorbij, vliegensvlug. Mijn hand in mijn zak speelde met een aansteker. Het kon mij allemaal niets meer schelen, ik nam je vast en gaf je een redelijk lange kus vol op de mond.

Een zwijntje knorde onverschillig, kinderen schommelden uitgelaten, duiven vlogen heen en weer, de ene al wat sneller dan de andere. Wat deed dat zwijntje hier eigenlijk? Ik besefte dat mijn gedachten begonnen af te dwalen. Ik staakte mijn verrassingskus en liep heen. Je riep nog hé, blijf hier. Maar ik had belangrijke zaken te doen aan de andere kant van de wereld. Het vliegtuig vertrok binnen een uurtje of zo.

vrijdag 14 augustus 2009

waarom boten zinken

Zwijg mij van roltrappen; ik haat ze. Hoe ze rollen en lawaai maken. Hoe ze kleine kindjes pijnigen en angst aanjagen. Hoe ze rollen. Had ik al gezegd dat ze rollen? Ik haat hun gerol. Ze rollen verkeerd, wansmakelijk, belachelijk, triestig en op het decadente af!

Mijn grootmoeder draait zich om in haar veel te kleine graf. Ze was extreem dik. De grafdelvers waren blijkbaar slecht geïnformeerd en hadden een doorsnee put gegraven. Ze hebben mijn grootmoeder er zijlings in gegooid, en dan nog moesten ze met twee op haar staan springen om haar er volledig in te krijgen. Zelfs de pastoor stond op het punt om mee te helpen, maar dat was net niet nodig. Alleszins, door al die kloteroltrappen draait mijn grootmoeder zich - spreekwoordelijk uiteraard - om in haar graf.

Maar waarom sta ik hier pannenkoeken te bakken? Hoeveel scherven heb ik al veroorzaakt? Dertien? Het kan mij geen barst schelen. Ik fluit naar opwindende dames wanneer ik wil. Niemand zal mij tegenhouden. Ik werk op de zenuwen, in het zwart, de klok rond. Ik weiger mensen de les te spellen, ook al was spelling mijn favoriete vak op school. Het zweet des aanschijns druipt van mijn oksels. Heerlijk? Ik vind van niet.

dinsdag 4 augustus 2009

de melk stond buiten

Het fijne aan wolken is ongetwijfeld hun verlangen naar stabiliteit.
Het volkstoneel was nog niet ten einde, maar ik keerde toch huiswaarts.
Het eeuwige zagemeel bleek eens te meer pure waanzin.
Hoe het ook zij: het verraste mij enigszins dat Evert graag erwtjes at.

pingpongen zonder reden

Mankend zocht ik naar lucifers. Ik vond er geen. Ik vroeg vuur aan een bende jonge Turken. Ze hadden geen vuur. Ik mankte een winkel binnen en kocht een aansteker, twee appels en een strip van Jommeke. De winkelier wenste me een fijne dag. Ik antwoordde dat hij zijn fijne dag in zijn vuile reet kon steken. Dat gezegd hebbende voelde ik mij al een heel stuk beter.

Eenmaal terug in mijn stamcafé herinnerde ik mij een verhaal dat mijn grootvader altijd vertelde voor het ontbijt. Het was een schokkend verhaal, keihard, recht in de roos en redelijk sprookjesachtig. Het ging over konijnen, mieren, neuken, vrouwelijke geslachtsorganen en ongemaaid gras. Er vloeide sap, vocht, kaarsvet en motorolie. Er werd gebruld, gegeeuwd, gebeukt en overgegeven. De ogen van mijn grootvader fonkelden telkens opnieuw.

Mijn pint kwam net op tijd. Ik keek in het rond: mannen, vrouwen, tafels, stoelen, sigaretten, de bar, de barman, het toilet, een raam, sanseveria's. Buiten reed een bus over een vluchtheuvel. Of was het een verhoogde inrichting? Dat moest ik beslist eens aan Flor Coninkx vragen. Of was het Koninckx? Dat moest ik hem ook zeker vragen.

zondag 2 augustus 2009

de wens van ome willem

Ik woonde vroeger in een huis in een dorp. Het dorp had 1.800 inwoners en lag aan de Belgisch-Nederlandse grens. In België lag het huis, in Nederland de kakbeek, want riolering was er niet. Mijn ouders en mijn zussen woonden er ook.

Op een dag fietste mijn goede vriend Jan voorbij. Hij had kniepijn, hij snakte naar bier en hij was homofiel. Drie goede redenen om hem straal te negeren. Jaren later pleegde hij zelfmoord.

De mokkels die ik in mijn leven al geteld heb! Zeker vijftien!
Ik veinsde eens te meer interesse.
Ik keek dieper in mijn glas.
Mijn gsm bleef stil.

de gang door

Gisteren was een dag om nooit te vergeten. Niet alleen bruiste de Schweppes als nooit tevoren en sprongen sprinkhanen extreem vlug weg tijdens het grasmaaien, ook de buren leken extatisch en krijsten nogal nadrukkelijk tijdens het vrijen.

zaterdag 18 juli 2009

waardevol gefoeter

Ik vind: mensen met een handicap mag je niet zomaar afschrijven. Zeker niet over vijf jaar. Dertig jaar, dat kan er nog mee door. Maar let op! Het feit dat burgerlijke types het land regeren, wil niet zeggen dat je de hoop moet opgeven. Kaas met gaten laat je ook nooit koud.

Een ex-klasgenoot van mij leefde twee jaar op straat. Nu huurt hij een sociale woning. Zijn leefloon is hoog genoeg om rond te komen en god weet welke drugs allemaal te kopen. Met wat geluk kan hij zelfs sparen. Hij wil sparen om zijn studies te betalen. Hij wil een diploma; liefst in een richting waarvoor je niet al te veel moet studeren. Ik hoop dat hij het haalt, ooit. Ik hoop het van ganser harte.

zaterdag 20 juni 2009

wacko libido

Ik vroeg hem voor de zoveelste keer om de waarheid te spreken, maar geen haan die ernaar kraaide. Mijn grootmoeder keek liefdevol naar de hangklok. Het tikte elke halve seconde. Mijn grootvader zweeg als vermoord. Hij wilde niets lossen over zijn verleden als vuilnisman. Het was alsof hij zich schaamde. De kat van de buren keek door het raam naar binnen. Het tafereel dat ze voor zich zag had ze waarschijnlijk al honderd keer gezien. Ik zette de radio op off. Daarna fietste ik naar huis. Onderweg kwam ik Martha tegen, de dochter van de BV van het dorp. Op warme zomerdagen droeg ze zelden een bh. Helaas was het vandaag kil en winderig.

vrijdag 19 juni 2009

los honkos

Ik wenste vooral veel rust en geluk aan de mensen die er lief uitzagen. Ze zagen er niet alleen lief uit, ook wel een beetje achterlijk. Ik hield daar wel van. Het deed me denken aan juf Miet van in het tweede studiejaar. Ik vond dat een toffe juf. Ze was lief en warm. Ze nam alle kinderen serieus. Zelfs Kenneth was bij haar een braaf ventje, terwijl hij bekend stond om zijn regelrecht slecht karakter. Evert daarentegen was een wiskundeknobbel. Een oetlul van formaat. Zijn spreekbeurten gingen altijd over molshopen.

zaterdag 13 juni 2009

de wintermaanden: augurken bij de vleet

Hoe zacht ik ook riep, niemand bleef weg. Guy Mangelschots, om maar iemand te noemen, zakt ineen tijdens het plaatsen van roofing. Hij kijkt vertwijfeld naar de hemel. De hemel, dat blauwe ding met witte vlekken, ziet er anders uit: blauwer, witter, misschien ook wat aanvaardbaarder. Plots doemt een bilspleet op. Een reusachtige, onmogelijk te ontwijken bilspleet. Zo'n bilspleet had Guy Mangelschots nog nooit gezien.

duizelingwekkende feiten

Ik liet een paar steken vallen. Ik luisterde niet meer, volgde blindelings het opgelegde parcours, was al blij als ik voor twee uur in bed lag en drie uur aan een stuk kon slapen. Ik hield het bijna niet meer uit, liet mijn schouders volledig hangen. Ik vreesde voor het ergste, voor het onontkomelijke, het onomkeerbare. Natuurlijk bleef de zee ruisen, maar hoe lang nog? En vooral: waarom? Het zachte snikken van drie Turkse tortels werd straal genegeerd. Mijn katten vingen muizen als nooit tevoren. Het leek wel totale uitverkoop. To-ta-le uit-ver-koop. Ik telde vaak de lettergrepen van zinloze woorden.

woensdag 10 juni 2009

productiehuis de zwijnen

Steden als Gent, Tokyo en ja, zelfs Bastogne, hebben steeds op mijn goedkeuring kunnen rekenen. In mijn gedachten knik ik ze gemoedelijk en vriendschappelijk toe, soms zelfs met een subtiel knipoogje erbij. Maar waar ik het vooral over wou hebben zijn de zeikerds van FC Strontvlieg.

mozambique

Alle Mexicanen en vooral mezelf ten spijt heb ik meer weg van een eenzame straathoekwerker uit Zwevezele dan de zoveelste gynaecoloog die om louter voyeuristische redenen het vak is beginnen leren. Ik ken ze wel, de zogezegde wereldverbeteraars, ze verdienen hun geld op de kap van ons, brave dutsen, die denken bij een idealist terecht gekomen te zijn. Hoeveel idealisten zijn er nog? Wie doet nog écht iets uit morele noodzaak? Ik alleszins niet.

Meestal stel ik mij vragen die er nog minder toe doen dan 'Waar is het toilet?' Al is deze vraag wereldwijd al talloze mensen van pas gekomen. In sommige situaties is het zelfs de meest pertinente vraag die kan gesteld worden. En als ik heel eerlijk ben: bijna dagelijks brandt die vraag naast uitdovende sigaretten op mijn lippen. Ben ik daarom de vreemde eend in de bijt? Wie is radeloos op zoek naar bieslook? Ik alleszins niet.

zondag 7 juni 2009

hoe alles ontspoorde

Het was vrijdagochtend en iedereen - zelfs de pastoor - dacht dat het een mooie dag zou worden. Het werd effectief een mooie dag. Wimpers bij de vleet, moet iemand gedacht hebben, en effectief: zoveel wimpers had ik nog nooit gezien.

De zon scheen in Gods ogen. Hij waste zijn handen, poetste zijn tanden en verklaarde voor de verzamelde pers dat zijn geniale gedachten de laatste tijd fel verminderd waren. Ik zag de krantenkoppen al voor mij: 'Worstendraaier draait door!' (Het Laatste Nieuws), 'Winkelhaak heel nabij' (De Tijd) en 'Mosterd deed dromen' (Het Belang van Limburg).

Duizenden camionetten reden mij voorbij. Duizenden apathische blikken. Stront, kieviten, aan lager wal geraakte machthebbers: ik beleefde het allemaal.

woensdag 3 juni 2009

zinkende zwijnen

Misschien, heel misschien, draait het leven om meer dan wijngaarden alleen. Misschien geloven mensen nog echt in elkaar. Afgelopen weekend, om maar iets concreets te noemen, bestond uit zaterdag en zondag. Het waren twee afgelijnde dagen met een duidelijk begin- en einduur, maar ach, ik stond er niet bij stil.

Misschien zijn de vrouwen die ik ooit beminde nu wel overleden. Misschien leven ze nog enigszins, op automatische piloot, of op straat. Misschien houden ze van zichzelf, of van hun kinderen. Misschien gaan ze op reis naar verre landen. Misschien zoeken ze de waarheid, of de ware. Ik geef hen geen ongelijk.

De wafelenbak duurde veel te lang, maar uiteindelijk was ik wel blij dat ik het volk had vereerd met mijn aanwezigheid. Je moet er iets voor over hebben om bemind te blijven. Het is hard werken, constant bij de pinken blijven. Je moet altijd lachen, maar niet te jeanetterig. Je moet iedereen gelijk geven, maar toch een eigen mening hebben. Je moet kunnen drinken, maar kotsen is uit den boze.

Onze moestuin is nog niet zo performant als die van het buurmanneke, maar er komt een dag dat het hele dorp zal opkijken naar onze broccoli, sla en ajuinen. Ik durf er mijn spaargeld niet op verwedden, maar wel dat van mijn kinderen. Let op mijn woorden!

het stak

Het zielige aan de hele zaak was zonder twijfel het gebrek aan visie, mosterdzaadjes en mongolen. Het bleef maar duren, niemand vond rust, open deuren werden ingetrapt. De jongste knaap van de hele bende zweette voortdurend. Een vogel landde op de vensterbank, de aanwezigen die nog niet in slaap waren gevallen keken verschrikt op. Een slecht voorteken. Schietgebedjes vlogen in het rond. God werd weer misbruikt als een Zuid-Koreaanse hoer. Alles eindigde bij één gedachte: we kunnen niet anders. En een tweede gedachte: waar is het frietkot.

woensdag 20 mei 2009

gisteren, vandaag, overmorgen

Toen ik gisteren de autostrade en daarna mijn vrouw bereed, schoten vreedzame gedachten door mijn hoofd: mussen zijn lief, bloempjes plukken is zo leuk, ruisende bomen zijn fantastisch, pony's zijn klotebeesten. Ok, die laatste gedachte was eerder onverantwoord, maar ik ben ook maar een simpele duif.

Daarnet hield ik iedereen in toom. Mijn grootmoeder zou zeker fier geweest zijn. Ik was haar lievelingsbastaard. Van alles en iedereen in het kolenkot hield ze het meest van mij. Ik was dolgelukkig toen ze stierf.

Mijn leven struint voorbij en voor ik het goed en wel besef vraagt de bakker: 'Wat mag het zijn, ventje?' Ik antwoord vastberaden: 'Evert heeft mijn hond verkracht.' De bakker slikt, maar blijft verbazend kalm. Dat moet ik echt wel toegeven.

de shock

Vroeger, toen Jezus nog zijn hol verbrandde aan vrolijk knetterende kampvuurtjes, hield ik niet zo van mango's in tomatensaus. Ik moest kokhalzen bij het zien van Jezus' ongekuiste tenen. Het einde was nog niet nabij, maar alle lemmings smeekten mij om hen te leiden. Ik weigerde categoriek. Ik hield te veel van het leven, van ananas in caramelsaus, van Judas' ongeschoren oksels. Was ik abnormaal? Mijn hond vond van niet. Ik gaf mijn hond geregeld trappen onder zijn kont. Hij bluste het kampvuur met zijn kwijl en zever. Jezus haalde opgelucht adem.

woensdag 13 mei 2009

de lolly

Van het weer word ik toch ook niet wijzer. Het draait er vooral om de mensen brood en spelen te bieden. Geef hen een vinger en ze nemen mijn hele lijf. Ze scheuren de knoppen van mijn jeans en doen alsof hun neus bloedt. Als ze niet opletten staat de politie opnieuw voor de voordeur. Ze bellen steeds twee keer. Eén keer lang en één keer iets minder lang. De postbode heeft nog nooit aangebeld. Die weet tenminste dat onze deurbel kapot is.

maandag 4 mei 2009

de kale reis

Op een dag besloot ik de wereld rond te trekken. Ik begon bij Holland, een land vol molshopen, Senegalezen en hondstrouwe mierenneukers. De avond viel veel te vroeg. Ik zette mijn tentje op in de voortuin van een aristocraat. Muggen waren er niet. Ik kookte mijn potje op een gasvuurtje. Een Hollander kwam op mij afgestapt. Het was de aristocraat. Hij vertelde dat zijn vrouw hem had verlaten. Ik knikte, maar velde geen oordeel. Zo was ik niet.