Posts tonen met het label god. Alle posts tonen
Posts tonen met het label god. Alle posts tonen

woensdag 16 december 2015

het dorp

Ik schreef mijn eerste roman. Na twee pagina's was ik uitverteld. Ik ging naar buiten en wandelde in het rond. De buurvrouw stond de stoep te schrobben. Ik zei hallo, maar ze verstond mij niet. Ik was niet van hier, ik was een inwijkeling uit het noorden van Oost-Vlaanderen. Daar schrobben ze ook stoepen. Ook daar verstaan ze mij niet.

Ik wilde mijn dorp beter leren kennen. Het koor had nog een plaatsje vrij. Ik bood mij aan. Vijftien huisvrouwen ontvingen mij met open armen. We zongen over Jezus, over God en over Maria. Daarna praatten we over koetjes en kalfjes. Letterlijk. Eén huisvrouw zag mij zuchten. Ze legde haar hand op mijn rechterdijbeen, fluisterde in mijn oor dat ze mij begreep. Dat ze ook liever over kippen en kuikentjes babbelde. Haar man had de grootste kippenkwekerij van het dorp. Waar vroeger de plaatselijke jeugd les kreeg, liepen nu vijftienduizend gevederde vrienden op een kluitje. Het was een mooie stiel. Die beesten stonken als de pest, maar liefde dat ze gaven, ge houdt het niet voor mogelijk.

Ik knikte en bestudeerde haar ogen. Ze waren bruin met grijze spikkels. Haar wimpers fladderden onophoudelijk. Haar rimpels trilden van excitatie. Als ze lachte zag ik het achterste van haar tong. Ze kakelde maar door, luider en luider. Ik keek op mijn gsm en deed alsof ik een belangrijk telefoontje kreeg. Ik ging naar buiten, naar de regen, de heerlijke regen. De huizen blonken zoals steeds onder te felle straatlantaarns. Opritten barstten uit hun voegen. Dit was mijn dorp, hier was ik beland. Hier moest het gebeuren.

vrijdag 14 november 2014

hinkelen was ook een optie

Elegant kon je haar niet noemen. Ze leek meer op Gui Polspoel die net uit bed kwam dan op Lana del Rey met knalrode lippenstift en diepe decolleté. Maar ik hield van haar zoals ze was: stormachtig, ijzersterk, staalhard. Ze riep mij, ik huppelde naar haar toe, likte haar hielen. Mager was ze niet, maar haar blik was onweerstaanbaar.

Gods wegen lijken ondoorgrondelijk. Enkel de E40 ter hoogte van Erpe-Mere kent voor mij geen geheimen meer. Ik neem er elke dag de verkeerde afslag. Mijn grootmoeder die in de hemelen zijt lacht zich een nog grotere bult dan ze al had. Mijn grootvader weigert zijn mond open te doen, behalve als meneer pastoor met een hostie passeert.

Ik zit hier in mijn geblutste wagen. Het rechtervoorlicht is kapot. Hoe moet ik dat aan de garagist uitleggen? Voor hem is het waarschijnlijk links. Tenzij garagisten het perspectief van de bestuurder hanteren, zoals tandartsen dat van de patiënt. Ik heb mij al vaak afgevraagd wie op dat geniale idee is gekomen. Waarschijnlijk een Amerikaan of een Zweed.

vrijdag 12 februari 2010

zoek de misdienaar

Ik weiger te geloven in God, ook al zoekt Hij soms troost bij een gele banaan uit Afrika. De middagstorm is alweer gaan liggen; vadertjes roepen vliegen bijeen, juffen zoeken wasco's, misdienaars sluiten hun ritsen. Zip.

Wanneer, of beter: waarom, zal het leven ooit eindigen? Gisteren? Ik denk het niet. Mijn blaas is nog maar net geledigd of er sluit al opnieuw een winkel de deuren. De wijsneus die optimisme uitvond mag voor mijn part stikken in een nichterige lachbui.

Mijn gematigd optimisme komt ongetwijfeld van mijn natuurlijke ouders, die toevallig ook mijn wettelijke ouders zijn. Ik ben met andere woorden niet geadopteerd. Vind ik dat jammer? Nee. Stinkt u uit uw bek? Vraag dat eens aan uw eerlijkste vriend.

vrijdag 27 november 2009

vijzen, boter, dreadlocks

Het meest aanvaardbare antwoord dat God mij overmorgen zal geven gooi ik nu al overboord. Ik heb zijn goede raad niet nodig. Omgekeerd moet hij er ook niet op rekenen dat ik zijn probleempjes aanhoor. Ik ben God niet.

De wijn die ik gisteren in één gigantische teug opdronk en enkele minuten later in één bulderende straal in de buurt van het toilet loste, smaakte.

Vijf ongewillige hoeren stapten op mij af. Ze boden mij een weekendje Zwevezele aan. Ik weigerde categoriek. Ik haat Zwevezele.

Laat ik het zo samenvatten: vijzen, boter, dreadlocks. Een fietstocht kan er desnoods ook nog bij.

zondag 7 juni 2009

hoe alles ontspoorde

Het was vrijdagochtend en iedereen - zelfs de pastoor - dacht dat het een mooie dag zou worden. Het werd effectief een mooie dag. Wimpers bij de vleet, moet iemand gedacht hebben, en effectief: zoveel wimpers had ik nog nooit gezien.

De zon scheen in Gods ogen. Hij waste zijn handen, poetste zijn tanden en verklaarde voor de verzamelde pers dat zijn geniale gedachten de laatste tijd fel verminderd waren. Ik zag de krantenkoppen al voor mij: 'Worstendraaier draait door!' (Het Laatste Nieuws), 'Winkelhaak heel nabij' (De Tijd) en 'Mosterd deed dromen' (Het Belang van Limburg).

Duizenden camionetten reden mij voorbij. Duizenden apathische blikken. Stront, kieviten, aan lager wal geraakte machthebbers: ik beleefde het allemaal.

woensdag 3 juni 2009

het stak

Het zielige aan de hele zaak was zonder twijfel het gebrek aan visie, mosterdzaadjes en mongolen. Het bleef maar duren, niemand vond rust, open deuren werden ingetrapt. De jongste knaap van de hele bende zweette voortdurend. Een vogel landde op de vensterbank, de aanwezigen die nog niet in slaap waren gevallen keken verschrikt op. Een slecht voorteken. Schietgebedjes vlogen in het rond. God werd weer misbruikt als een Zuid-Koreaanse hoer. Alles eindigde bij één gedachte: we kunnen niet anders. En een tweede gedachte: waar is het frietkot.

vrijdag 24 april 2009

de schoolmeester

Maffe Mark, de schoolmeester van het kleinste gehucht ter wereld, deed pipi tegen de Range Rover van Meneer Pastoor. Pastoor was een gehaaide zakenman en had vijfendertig fietsen en een Range Rover. Zijn grootste hobby was zwemmen in de kakbeek van de buren. Mensen verklaarden hem gek en noemden hem stiekem Gekke Pastoor.

Maffe Mark lustte geen koffie. Hij vond het walgelijk. Toch bestelde hij altijd koffie als hij in de stad was. Niet omdat hij mondain wou doen, gewoon omdat hij verslaafd was aan koffiekoekjes. Er waren wel meer van die mensen. Op een rustige avond had hij op internet een facebookpagina 'Ik haat koffie maar ben verslaafd aan koffiekoekjes' ontdekt. Hij werd er meteen lid van en uitte zijn blijdschap aan de hand van een luide scheet. Niemand in cyberspace kon hem horen, laat staan ruiken.

Gekke Pastoor keek door het raam en zag Maffe Mark plassen tegen zijn Range Rover. Hij schrok even van het formaat van Maffe Marks lid, maar kon zich snel herpakken. Hij rende naar buiten, gritste onderweg een baseballbat mee en sloeg zijn terreinwagen aan diggelen. Maffe Mark wist niet wat hem overkwam. Hij keek naar God, maar god keek niet naar hem. Wat nu gedaan?

zondag 1 maart 2009

de messenwerper van hamelen

Alle dagen lijken op die ene dag dat ik met veel poeha de mosterdpot van de trap gooide. Ik was nog klein en ontdekte de wereld. Iedereen die mij negeerde kreeg een trap tegen het scheenbeen. Ik had veel trappen.

Mijn grootste overwinning op het leven behaalde ik na veel vijven en zessen. Mijn grootouders waren op sterven na dood. Ik bad tot God dat ik de snoepjespot zou erven. Walter, de zuchter van het dorp, zuchtte diep.

Ik was verliefd op twee meisjes uit twee verschillende klassen. Ik probeerde hen samen in mijn boomkamp te krijgen. Mijn boomkamp was echter alleen maar te bereiken via een touwladder. Het ene meisje viel eraf bij haar eerste poging en verzwikte haar enkel, het andere meisje bleek vooral oog te hebben voor het ene meisje en samen gingen ze naar huis. Ik klom in mijn boomkamp en droomde van mooiere momenten.

vrijdag 6 februari 2009

spaghetti bolognaise

Bijna iedereen heeft een grote mond, maar zegt niets als het erop aan komt. Ik niet. Ik zeg sowieso niets. Ik spreek alleen als God mij toefluistert: 'Liefste jongen, waar ben je toch mee bezig?' Mijn antwoord luidt elke ochtend als volgt: 'Liefste God, ik zoek naar antwoorden.' Waarop God dan altijd begint te lachen en met tranen in de ogen de volgende woorden uitproest: 'Maar loser toch, wie zoekt dezer dagen nog naar antwoorden? We leven wel in 2009 hé! Get a life, sucker!'

De dag dat God sterft zal ik spaghetti bolognaise eten.

vrijdag 7 november 2008

onwaarschijnlijk gedoe

De meeste mensen lopen zielig en alleen door godvergeten winkelstraten. Ze zoeken Hasselt of Kortrijk, maar vinden hondenstront en natgeregende vuilnisbakken. Ze spreken veel te luid en luisteren niet naar anderen. Ze stinken naar bloemkool, huilen met de pet op, planten zelden meidoorn. Ik zie ze graag, die mensen. Het zijn stumperds van formaat, maar wat kunnen zij eraan doen? God heeft hen geschapen, dus het is Zijn verantwoordelijkheid. Ikzelf heb er niets mee te maken.

vrijdag 3 oktober 2008

de zondvloed

Ik dacht aan meeuwen die rotsen onderschijten. Ik hield een verrekijker in mijn handen. De zee was woest, woester dan ooit. Veel mensen waren hier niet. Alleen jij en ik, schuilend onder een eenzaam boompje. Een drieteenmeeuw vloog over. Aan de horizon leek het op te klaren, maar vlak bij ons bliksemde het nog volop. Een vissersboot haastte zich naar de veilige haven. Zou hij het halen? Je weet nooit wat het leven brengen zal. Niet God, en Helmut Lotti nog minder, zal je leven in handen nemen. Je kan hopen, smeken en dreigen. Je kan zingen, vechten, huilen, bidden, lachen, werken en bewonderen. Je kan rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Je kan liedjesteksten parafraseren zoveel je wil, God noch Helmut Lotti zal je helpen.

vrijdag 19 september 2008

twee mensen

Twee mensen liepen samen. Ze hielden elkaars hand vast. Hun hond was net aangevallen door een andere hond. Zijn kop was aan flarden gebeten, maar met een beetje geluk zou hij het overleven. Hij zou nooit meer dezelfde zijn, zou nooit meer zelfstandig kunnen eten, maar hij zou er wel nog zijn. En dat vonden de twee mensen belangrijk. Hun hond lag een week bij de dierenarts. De dierenarts leverde knap werk en verdiende een flinke stuiver aan hun hond. Hij had zelden zoiets meegemaakt. De meesten zouden hun hond een spuitje willen geven, maar deze twee mensen niet. Zij spaarden kosten noch moeite om hun hond erdoor te krijgen. En met succes. Een week later was hun hond weer thuis, dolgelukkig, al moest hij opletten dat hij niet te enthousiast blafte. Hun andere hond was ook tevreden. Zo een hele week alleen was toch niets voor haar. Nu konden ze weer samen spelen.

Ze lagen in de zetel, alle vier: de twee honden en de twee mensen. Ze keken naar tv en vielen in slaap. Midden in de nacht werden ze wakker. Er werd op de deur geklopt. Het was God. God sprak tot hen met een accent dat verbazend veel aan de man van Melle deed denken: 'Beste jongelingen. Ik ben God. Ik mag jongelingen zeggen want ik ben al heel oud. Als ik het goed heb ben ik de oudste van de hele wereld. Straf hé. Eigenlijk zou ik in het Guiness Book for World Records moeten staan, maar die klootzakken geloven mij niet. 'k Heb hen nochtans al vijfendertigduizend keer geschreven.' God pauzeerde even, keek naar het plafond en barstte in tranen uit: 'Ach, ik voel mij niet goed. Ik heb nood aan liefde, affectie, bier en anale seks. Ik wil voetballen met de straatkinderen uit Lembeke. Ik wil het Belgacomgebouw beklimmen en ervan springen, net zoals alle normale mensen. Ik wil God niet meer zijn!'

De honden begonnen lichtjes te grommen, de ene al iets overtuigender dan de andere. Eén van hun baasjes gaf God een schouderklopje en zei: 'Maar God toch, het leven kan niet altijd rooskleurig zijn. Het is normaal dat ge eens een dipje hebt. Mijn vrouw heeft dat elke dag! Trouwens, het gras is altijd groener aan de overkant. En 't is maar door te vallen dat je leert opstaan. Na regen komt zonneschijn. Liever twee kippen op een stok dan een vrouw met wrok in uw broek. Harde noedels in kokend water worden zacht een beetje later. Walter Capiau is ook maar een klein ventje dat elke zondag zijn gras afrijdt.'

God geeuwde verveeld en zocht naar excuses om te kunnen vluchten: 'Eh, allemaal heel interessant, maar ik herinner mij plots dat ik dringend bij Monica Lewinsky op bezoek moet gaan. En mijn was moet opgehangen worden!' Hij spurtte weg en struikelde over een palet tegels. Hij overleefde zijn val niet.

een mottig ventje

Een mottig ventje herken je aan zijn voetbalschoenen, zei mijn grootvader altijd. Ik hield zodanig van mijn grootvader dat ik elke week zijn spaarpot leegroofde. Hij vond dat niet erg, zei mijn grootmoeder dan. Ik hield wel van mijn grootmoeder. Het was een kranige oude zatlap. Ze dronk een bak Pale Ale per dag. Ik keek daar enorm naar op. Elke vrijdag was het visdag, maar wij aten boterhammen met hoofdvlees. God wil het zo, zei mijn grootvader autoritair. Ik respecteerde hem met heel mijn hart en ziel, maar na dergelijke uitspraken schopte ik toch meestal recht in zijn aangezicht. Ja, ik was een rebelse jongen.

maandag 23 juni 2008

fluks

Ik loop.
Ik loop door velden.
Ik zeg: ooit, ooit zal ik stilstaan.
God, die brave man waar ik niet in geloof, zegt, totaal naast de kwestie: ach, van lopen word je moe.
Ik antwoord in gedachten: hou je kop, man, ik heb je niets gevraagd.
God, barmhartig als hij is, glimlacht liefdevol en fluistert: kerel, nog één keer zo een opmerking en ik zweer u dat ge zult smeken om genade.
Ik zwijg.
Ik zwijg, maar niet voor lang.
Ik zeg, eerder toegeeflijk: das leben kann schön sein!
Waarop god: Duits is nooit mijn sterkste vak geweest op school.

donderdag 6 december 2007

een auto rijdt

Leve Jan Verstoepiert!
Hij roept zijn vrouw en slaat haar op de billen.
Ajiiez, laat zij blijken.
Vertwijfeld kijkt Jan Verstoepiert naar de hemel.
Zou god bestaan?