zaterdag 9 mei 2015

Hotel Turkmenistan

Die avond in Turkmenistan hadden we voor het eerst ruzie. Je schold mij niet uit, ik gaf jou geen klap, maar we waren kil en afstandelijk. Als we al spraken, was het over banaliteiten. Zaken die er langs geen kanten toe deden. Maar meestal waren we stil en keken elk een andere kant op. Ik naar het water, jij naar de grijze woonblokken. Na twee uur wandelen kwamen we terug bij ons hotel aan.

Ik had jou nooit eeuwige trouw beloofd in goede en kwade dagen. Laat staan bij ziekte, dood, kilte of afstandelijkheid. Toen de burgemeester mij de vraag stelde, knikte ik kort. Het kon evengoed een spastisch trekje geweest zijn. Mijn lippen bleven stijf op elkaar. In het trouwboekje zette ik een valse handtekening. Geen haan die ernaar kraaide.

Je was in slaap gevallen. Ik keek nog even naar tv - in Turkmenistan's Got Talent floot een krachtpatser de zevende van Beethoven met zijn anus - vooraleer ik de stad in trok. Ik wou de Turkmeense bevolking wel wat beter leren kennen. Ik stapte een sushibar binnen en praatte met het personeel. Ze hadden heimwee naar Tokio en stokjes van goede kwaliteit.

zaterdag 25 april 2015

lucifer

We liepen arm in arm, ik vol van mezelf, jij vol met mijn zaad. Onze haren wapperden in de wind. Het hoeveelste kind zou ik al verwekt hebben? Ik snapte de natuur niet volledig, maar één ding wist ik wel: eksters waren de Opel Corsa's van het vogeldom.

Een van mijn kinderen viel van de trap. Ik sleepte de trappenmaker voor de rechter. Mijn kind had recht op een morele schadevergoeding van tien miljard dollar. De rechter had een goeie linker, hij trapte mijn voorzet staalhard binnen. Alleen jammer dat hij mijn zelfgebakken taart niet lustte.

Ik drong bij je binnen, schalks en zelfvoldaan. Je zuchtte niet eens zo diep. Water of koffie, dat zou ik straks wel drinken. Fairtrade koffie, daar kan je van op aan. Zo hebben die boeren in Zuid-Amerika ook nog iets te eten. Ik pompte en ik pompte, er leek geen einde aan te komen. Een houtduif op de elektriciteitsdraad keek door het raam naar binnen.

Mijn grootmoeder belde onverwacht. Ze had haar gebit laten vallen en probeerde mij duidelijk te maken dat ik haar uit de nood moest helpen. Ik deed alsof ik haar niet verstond. Uit de boot schelpen, moe? Wat bedoel je daarmee, moe? De verbinding is heel slecht, ik ga ophangen, moe, daaag. Ik zag haar al door de living kruipen, een zweetdruppel op het voorhoofd, mijn naam op haar lippen.

We wuifden naar een passant. Het wandelpaadje was bijna overwoekerd. Nog enkele maanden en geen kat zou onze rust verstoren. Je vertelde over je vorige vriendjes. Ik kon hen allemaal de ogen uitsteken met een lucifer. Een briquet zou minder handig zijn, dat moest ik toegeven. Onze lach echode tussen de bomen, een merel vloog verschrikt weg. Kon het ons wat schelen.

maandag 23 maart 2015

het plein (werktitel)

Ik stapte het plein over. Een oude vrouw keek op noch om. Ze voederde een duif die koerde van geluk. Ik naderde een terras. Op een luifel stond Ricard geschilderd. Ik kreeg wel zin in een drankje. Ik ging zitten en bestelde een chocomelk.

Ik keek naar het plein. Een fontein spoot water in de lucht. Kinderen speelden met een bal. Toeristen stroomden toe, namen een kiekje en liepen weer weg. Een verfrissend windje stak op. Ik sloot mijn ogen, had genoeg gekeken. Ik viel in slaap.

Ik werd wakker. De avond was gevallen. Het plein was er nog, de fontein spoot nog steeds water in de lucht. De kinderen waren verdwenen. De oude vrouw zat op een bankje. Ook zij was in slaap gevallen. De duif trippelde rond haar benen. Ik stond op, stapte het plein over en wandelde een ander plein tegemoet.

dinsdag 10 maart 2015

rottend rijst

We stonden op, gingen naar beneden, dronken koffie. We liepen naar buiten, naar de regen, de wind, de modder. De boerderijen sliepen vredig. Ze droomden van mortel en keramiek. We lachten, we bulderden van het lachen, we huilden. We voelden ons eenzaam, voelden aan elkaar, we hadden seks in een paardenstal. We hadden laarzen aan, groene laarzen, glad en kil.

We keerden terug. Ons bed was opgemaakt. De lakens gewassen. Het nachtkastje afgestoft. De wekkerradio schreeuwde het uit. We waren jong en onvolmaakt. We waren het gepeupel, het volk in de straat. De wagens reden sneller en sneller. We struikelden het bos in. De laatste bomen kreunden zacht.

We wisten dat het ooit ging stoppen, dat de rijst zou rotten, net als onze tanden. We zouden honger krijgen en ruzie. We zouden elkaar aanraken, onzacht en met de vuisten. We zouden roemloos ten onder gaan, net als onze buren. Maar tot het zover was zouden we in elkaars ogen kijken, om ter langst zonder te knipperen.

vrijdag 20 februari 2015

strunt der liebe

Ik zocht in mijn amalgaam aan medeklinkers maar vond geen enkele die mijn gevoel perfect verletterde. Het was geen zof, geen kiv en ook geen pex. Ik vroeg de weg naar Amsterdam maar niemand kon het zodanig fluisteren dat ik de ogen sloot en droomde van de confituur die mijn grootmoeder nooit zelf maakte. Ze kocht een pot in de Aldi en lepelde de confituur in een andere pot. Een pot die er authentiek uitzag. De confituur smaakte altijd heerlijk. Al de rest trok op geen bal ginder, maar de confituur was om over naar huis te schrijven.

Mijn ouders ontvingen mijn brieven nooit. Ofwel hadden ze geen brievenbus, ofwel werkte de postbode nooit de dag dat ik een brief schreef, ofwel gooide mijn grootmoeder ze stiekem in de vuilnisbak. Het was geen slecht mens, mijn oma, maar dat zeg ik alleen maar omdat ik nog steeds bang ben dat ze achter mij staat met haar liniaal in de hand, ook al is ze al twintig jaar dood en begraven.

Haar graf ligt in Amsterdam. Ik zoek en ik zoek. Ik heb speciaal mijn voorhamer meegebracht om haar grafsteen aan gruzelementen te slaan. Plots besef ik dat ze gecremeerd is. Verast. In Lochristi. De ceremoniemeester had kromme krullen en een scheve neus. Hij slikte toen hij mij hoorde lachen. Ik bulderde de hele zaal bijeen. De zes aanwezigen keken streng mijn richting uit. Daarna aten ze croissants bij de vleet.

woensdag 4 februari 2015

de sint en de baard

De Sint likte mijn holbaard. Ik vroeg niet waarom. Het deed geen deugd maar wie was ik om de Sint tegen te houden. Hij stonk naar de mesthoop van nonkel Roger. Nonkel Roger was een fervent tuinier. Hij woonde op de vijfde verdieping van een appartement in Mortsel. Zijn terras mat twee bij drie meter. Te klein om patatten te planten, maar ruim voldoende om een mesthoop op te stockeren. Telkens ik bij hem ging spelen, moest ik mijn kaka bijhouden en op zijn mesthoop gooien. Zijn buren waren verdraagzame doppers, maar belden uiteindelijk toch de flikken, die met veel tegenzin zijn appartement kwamen ontruimen.

Ik dacht aan mijn jonge jaren. Aan mijn goede vriend Fred. Hij kwam van Aalst, maar zijn ouders hadden een buitenverblijf op tweehonderd meter van ons huis aan de Nederlandse grens. Nederland was toen nog een lichtend voorbeeld in Europa. Vooral Terneuzen, met al haar coffeeshops. Duizenden Fransen en Belgen trokken elk weekend naar dit stadje om er in alle rust high te worden. De douane in Zelzate klopte overuren om de ontspoorde jeugd een lesje te leren.

De Sint keek diep in mijn ogen. Ik stotterde toen ik hem de deur wees. Hij zag er moe en afgeleefd uit. Een eenzame oude man met tranen op de wangen. Hij wandelde naar zijn auto, een gele Toyota Yaris. Je zou voor minder huilen.

woensdag 21 januari 2015

licht stofje

Ik reed van Ertvelde naar Costa Rica, maar aan het eerste rondpunt raakte ik de weg kwijt. Ik stapte uit en vroeg aan een plaatselijke landbouwer of hij de minst filegevoelige route naar de Atlantische Oceaan kende. De boer tuurde naar een windmolen in de verte. Een mengeling van tabak en speeksel sijpelde uit zijn mond toen hij sprak. Zelf was hij nog nooit buiten Ertvelde geweest - behalve die ene keer toen een suikerbiet uit zijn tractor viel en op het grondgebied van Assenede rolde - maar zijn duiven vlogen wekelijks door heel Europa. Zij konden mij met alle gemak de juiste weg wijzen.

Ik haalde net mijn portefeuille boven om zijn beste duif te kopen, toen een van zijn dochters thuiskwam. Ze had blauwe ogen, lang blond haar en grote borsten. Haar glimlach was fenomenaal, haar benen eindeloos. Haar kont zag er tegelijkertijd strak en mals uit. Ze keek mij aan en vroeg of ze mij ergens mee van dienst kon zijn. Euh ja, stamelde ik, ik ben de weg kwijt. En hoe graag wil ik je borsten vastnemen en er eens goed mee schudden, dacht ik erbij.

Niet veel later reden we samen op de Autoroute du Soleil, onze haren wapperden in de wind. We stopten aan een tankstation en aten een croissant. We lachten met een dikke Duitser, een luidruchtige Hollander en een achterlijke Vlaams-nationalist. Spanje was een droom. Lege snelwegen, verlaten dorpen. Voor we het wisten stonden we op een berg in Portugal te kussen alsof ons leven ervan afhing. We konden de oceaan al ruiken. Je adem kriebelde in mijn hals. De horizon trilde, of was het mijn lijf? Je gaf me jouw trui. Ik zag je tepels door je t-shirt. Licht stofje, zeker in de H&M gekocht. In volmaakt Ertvelds vroeg je of ik een kind van je wilde. Nee bitch waren wel de laatste woorden die op mijn tong lagen.

zondag 18 januari 2015

de salade der dingen

Mijn bindingsangst verdween meteen toen ik jou zag. Ik haalde mijn paternoster boven en zwaaide ermee naar alle kindjes in de buurt. Hun ouders keken de verkeerde kant op. Mijn leven slenterde verder. Even bleef ik hangen bij een Nigeriaanse die haar diensten aanbood, maar na vijf minuten was ook dat verleden tijd.

Je zei dat liefde een wonderlijk iets was. Ja oké, antwoordde ik, maar salade is ook niet te onderschatten. Ik voelde dat onze wegen bijna zouden scheiden. Je was te goed voor mij. Te diepzinnig ook. Ik leefde van dag tot dag, van a naar b, van vrouw tot vrouw. Jij stond stil bij de dingen, zocht naar de kern van de zaak, krabde geduldig aan alle eeltlagen tot enkel de waarheid overbleef.

Wat als je al mijn eeltlagen had weggewerkt? Zou je mijn waarheid onder ogen durven komen? Zou je aanvaarden dat het dit maar was? Dat ik mijn hele leven, mijn volledige doen en laten, mijn verleden en mijn toekomst volledig afstemde op Jaak Pijpen? Zou je mijn blinde adoratie weglachen? Of zou je verder krabben tot je uitgeput en sprakeloos in mijn armen valt en ik je zachtjes toefluister dat salade echt wel lekker kan zijn?

wijsheid van de dag


zondag 28 december 2014

was je maar, hier

Ik wandelde, op zoek naar reebok. De bossen verlangden naar de herfst. Mijn moeder belde op mijn gsm. Of ik straks een bruin brood gesneden kon meenemen. Van bij de bakker op de hoek? Nee, van bij de bakker op het plein.

Het plein zag zwart van de auto's. Eén autootje was knalgeel. Een vrouw stapte uit. Ze keek mij aan, ik bloosde. Haar lach was vergevingsgezind. Ik vroeg of ze ook een brood wou. Nee, zei ze, ik ben op zoek naar reebok.

We staarden naar de horizon. De skyline van Zelzate lag er prachtig bij. De fabrieken rustten nooit. Net als wij. Wij stopten pas als alle rozijnen opgegeten waren. Dat ging sneller dan verwacht. Tegen valavond waren we al weer thuis. De afwas blonk onze kant op. Jouw beurt pot verlost, riep ik razendsnel.

woensdag 17 december 2014

de legende van bart de wever

'Ga je nog eens de legende van Bart De Wever vertellen, opa?' vroeg Franske in het voorjaar van 2146 aan zijn grootvader. 'Maar je hebt dat verhaal al zeker honderd keer gehoord,' zei opa. 'Ja, maar het is zo schoon. Please?' Franske zette zijn beste puppyface op. Opa zuchtte diep. 'Oké dan, ventje.'

'Er was eens, meer dan 130 jaar geleden, een dikke man die de macht greep in het donkere Vlaanderen. Het waren tijden van ontsporende beurzen, crashende banken, toenemende ongelijkheid en ultraliberale dogma's. Na de middeleeuwen, de renaissance, de Verlichting en de nieuwste tijd zou dit tijdperk achteraf de naam 'postmoderne middeleeuwen' krijgen. Die man was oorspronkelijk heel dik en Vlaamsgezind, maar na een tijd werd hij heel mager en Thatcheriaans. Zijn naam was Bart De Wever.

Bart De Wever was burgemeester van de havengemeente Antwerpen, dat toen nog niet onder water lag. In plaats van die plek resoluut in de 21ste eeuw te trekken en met vooruitziende, ecologische projecten een internationale pioniersrol op te nemen, gaf hij alle macht aan koning auto en keizer ondernemer. Na enkele jaren was het inwonersaantal gehalveerd en de ongelukkigen die niet verhuisden, stierven uiteindelijk door luchtvervuiling of politieknuppels.

Maar wat hij met het toenmalige Vlaanderen en België deed, was van een nog erger kaliber. Oké, de meeste mensen hadden op hem gestemd, hij was dus democratisch aan de macht gekomen. Maar eigenlijk was dat niet zo moeilijk. Hij was de beste orator van zijn generatie, hij was intelligent en ad rem. Hij won elk debat. Wat wil je? Zijn concurrenten waren de laagvliegers van hun generatie. Zowel aan linker- als rechterzijde stonden gedurende jaren prutsers aan het roer. Stel dat die Bart De Wever geen rechtse nationalist was maar een groene communist, de hele meute zou groenlinks gestemd hebben. Het zou echter nog een paar decennia duren vooraleer de juiste mensen opstonden en een echt alternatief discours ontwikkelden, dat de basis vormde voor de wereldwijde less is more maatschappij waar we nu in leven.

Maar in tussentijd had het voormalige zwaargewicht vrij spel in het land dat hij wilde opblazen. Hij speelde het slim: hij bleef braafjes burgemeester van zijn dorp, een Franstalige liberaal was officieel de leider van het land. Maar iedereen, zelfs de caissières van de Aldi, wisten dat Bart De Wever alle touwtjes in handen hield. Hij bepaalde wat, waar, wanneer, wie en hoe. De besparingen die hij oplegde, troffen iedereen behalve de rijke ondernemers. Zij ontsprongen de dans. Bart De Wever was de DJ.

Er waren stakingen en betogingen, het ging van kwaad naar erger. De toenmalige regering wilde van geen plooien weten. Water bij de wijn, dat kenden ze niet. Ze marcheerden stug door, blindelings hun grote leider volgend. Ze walsten alle hoop plat. Ze wilden rijkdom creëren, maar negeerden daarbij de belangrijkste factoren voor een rijke samenleving: geloof in de toekomst, solidariteit, warmte. De daling van de koopkracht die ze zelf bewerkstelligden, zorgde voor een neerwaartse spiraal en een steeds armer land. De rijke ondernemers en industriëlen hadden dit al snel door en trokken naar het buitenland, waardoor Bart De Wever overbleef met dat deel van het plebs waar hij zijn neus voor optrok: de gewone man.

Maar natuurlijk kon hem dit au fond weinig schelen. Zijn doel was namelijk van Vlaanderen een onafhankelijke republiek maken, met Antwerpen als hoofdstad en hijzelf als president. Hij wilde bewijzen dat het project België een eeuwenoude nachtmerrie was en dat het gemakkelijk in een droom kon veranderen: splitsen die handel. Naar een onafhankelijk Vlaanderen - waar iedereen Vlaams sprak - zouden de investeerders wel snel terugkomen. Dus hoe sneller het oude België bergaf ging, hoe beter. De slachtoffers die ondertussen zouden vallen, waren collateral damage. Het doel heiligt de middelen.

Bart De Wever was echter één ding vergeten: het gewone volk, dat aanvankelijk massaal op hem gestemd had, was toch niet zo dom als het eruit zag. Bij de eerstvolgende verkiezingen stemde het op alle partijen die geen N-VA heetten. De regering die vervolgens gevormd werd maakte er ook een potje van, maar geleidelijk aan herstelde het land en groeide het geloof in een echte toekomst. En plots stonden ook de juiste visionaire politici op, die onze regio omvormden van Meli naar Plopsaland.'

'Plopsaland, joepie!' riep Franske en vredig viel hij in een diepe slaap.

zaterdag 29 november 2014

platte kaas

Ik droomde dat de Aveve gesloten was. Ik had net mijn camionette geparkeerd, voor de helft op het trottoir. Het winkelkarretje aanvaardde enkel 1 of 2 euro. Geen vijftig cent. Ik was terug naar mijn camionette gegaan, had alles overhoop gegooid, uiteindelijk een euro gevonden onder de handrem. Terug bij de winkel gleden de automatische deuren niet open. Ik dacht aan een defect maar toen zag ik binnen geen enkel licht branden en geen enkele medewerker in groene tenue die vriendelijk probeerde te lachen. Het was nochtans woensdagnamiddag, de JBC aan de overkant deed gouden zaken.

Ik schrok wakker. De hond van de buren blafte. Ik keek door het raam en zag twee katers vechten. Een streep maan hing achteloos in een hoek van de hemel. Ik ging naar beneden, zette koffie. Op tv interviewde Lieven Verstraete voor de vijfde keer de omhooggevallen politicus van de dag. Het ging over indexen, vermogens en platte kaas. Ik nam een slok en dacht aan Walter Godefroot. Hoe die man in 1967 Nokere Koerse won: respect.

Je vroeg wat ik aan het doen was. Je nachtkleed was licht doorzichtig, je tepels zacht en vredevol. Ik zei dat ik aan Walter Godefroot stond te denken nadat een droom over de Aveve mij wakker gemaakt had. Je glimlachte en ging terug naar boven. Wat had ik zin in jou. Ik hield je bijna tegen om je borsten te kussen, maar wist dat je morgen vroeg op moest. Ik plofte neer in de zetel en besefte te laat dat ik de zapper nog niet bij me had.

maandag 24 november 2014

ergens tussenin

Mijn plannen om een volgende nationale betoging eens in een onnozel gehucht in plaats van in Brussel te organiseren, kregen vorm in Zwevezele. Ik had een zwak voor dergelijke plekken. Ze waren lelijk en troosteloos, zeker als het wolkendek zo dik was dat het leek alsof het de hele dag schemerde. Maar ik voelde me er goed. Hoe zieliger het dorp, hoe vrijer mijn gemoed.

Ik zat met mijn vrouw en kinderen in de goedkope gezinswagen. We stopten bij Slagerij het Serpent. We kochten vijf bouletten en een kwart kilo préparé. Mijn vrouw sprak West-Vlaams dus zij voerde het woord. Het Serpent vertelde over haar nonkel die op zijn sterfbed lag. Mijn vrouw knikte en betaalde, ik keek naar een dode kip.

Zouden we picknicken op het kerkhof of in een bushokje? Het werd ergens tussenin. De jongste at een volledige boulet. De middelste gooide steentjes naar een vuilbak. De oudste neuriede de hele tijd. Een vrachtwagen van H. Essers denderde over de kasseien. Het beloofde een mooie dag te worden.

vrijdag 14 november 2014

hinkelen was ook een optie

Elegant kon je haar niet noemen. Ze leek meer op Gui Polspoel die net uit bed kwam dan op Lana del Rey met knalrode lippenstift en diepe decolleté. Maar ik hield van haar zoals ze was: stormachtig, ijzersterk, staalhard. Ze riep mij, ik huppelde naar haar toe, likte haar hielen. Mager was ze niet, maar haar blik was onweerstaanbaar.

Gods wegen lijken ondoorgrondelijk. Enkel de E40 ter hoogte van Erpe-Mere kent voor mij geen geheimen meer. Ik neem er elke dag de verkeerde afslag. Mijn grootmoeder die in de hemelen zijt lacht zich een nog grotere bult dan ze al had. Mijn grootvader weigert zijn mond open te doen, behalve als meneer pastoor met een hostie passeert.

Ik zit hier in mijn geblutste wagen. Het rechtervoorlicht is kapot. Hoe moet ik dat aan de garagist uitleggen? Voor hem is het waarschijnlijk links. Tenzij garagisten het perspectief van de bestuurder hanteren, zoals tandartsen dat van de patiënt. Ik heb mij al vaak afgevraagd wie op dat geniale idee is gekomen. Waarschijnlijk een Amerikaan of een Zweed.

zondag 2 november 2014

hoed in de hand

Zie mij hier zitten. De man van uw dromen. Ik zie de straten, de vrouwen, de buggy's. Ik voel de valse warmte, de ingehouden woede. Men vraagt mij welke bakker de beste broden heeft. Ik moet het antwoord schuldig blijven. Ik eet geen brood meer, ik eet eenzaamheid.

Wie of wat heeft mijn knikkers gestolen? Ik was even in slaap gevallen, droomde van de tuin bij mijn grootouders waar ik als zesjarige de wereld veroverde. Ik klom in bomen, schoot met mijn katapult op mussen, keek naar de voorbij glijdende wolken en hoopte dat het spaghetti was als avondeten. De klokken van een verlaten kerk trokken mij terug tot waar en wat ik ben, en kijk, mijn knikkers liggen niet langer voor mijn voeten. Misschien heeft de wind ze in de riolering geblazen. Ja, laat ons daarvan uitgaan.

Je huilt om mijn verdriet. Je voelt mijn schaamte. Je raapt me op, kordaat maar teder. Precies zoals ik je graag heb. Ik voel een glimlach opkomen, maar hij verdwijnt ergens diep in mijn keel. Je bestelt twee koffies. Een voor jou en een voor mij. Ik voel je blik, je onbeantwoorde liefde. Een man passeert, hoed in de hand. Hij lijkt op weg naar huis, op weg naar vrouw en kinderen. Hij lijkt gelukkig. Ja, hij lijkt erg gelukkig.

donderdag 28 augustus 2014

de gracht

Volg mij. Ik zal u leiden. Naar Wortegem-Petegem. Ik ken daar een gezellig plekje. Het stinkt er nooit, behalve op zondag. Zondag ga ik meestal naar Hollebeke. Ik wandel er op los, gooi mijn haren in de lucht, flaneer door kerkhoven. De place m'as tu vu onder de massagraven is ongetwijfeld Auschwitz. Dat ligt in Polen. Volg mij en ik toon u alles.

Bij mij moogt ge eenzaam zijn, ongelukkig of ziek. Als ge moet overgeven, bijvoorbeeld door het overvloedig drinken van Irish Coffee, gelieve u naar buiten te begeven. Aan de overkant van de straat ligt een gracht. In de winter stroomt daar water door. In de zomer staat ze droog, tenzij als het veel geregend heeft. In augustus stroomt daar dus ook altijd water door. Tja, het weer is niet meer wat het geweest is. Frank kan mijn kloten kussen.

Ik denk aan u. Ik steun u ten volle. Ge komt recht, er hangt nog een brokje kots aan uw wang. Ik zeg het niet, wil u niet nog meer kwetsen. Ge ziet er al zo ellendig uit. Ik wijs u de weg naar mijn bed. Ge valt neer. Ge snurkt voor dood. Ik trek uw kleren uit, gooi ze in de wasmachine. Het is gestopt met regenen, maar de zon schijnt nog steeds niet. Ze verstopt zich voor mij, ik ben het zeker.

zaterdag 12 juli 2014

kosovo mon amour

Ze kuste mijn knieën, ik werd wild van geluk. Dit was het waar ik al heel mijn leven op zat te wachten. Ik lachte, schreeuwde, kreunde, fluisterde. Woorden kon ik niet voortbrengen, maar ze begreep maar al te best wat ik bedoelde. Ze was enorm intelligent, deze hoer. Ze gaf mij het gevoel dat ik alleen was op de wereld, zonder verplichtingen, zonder schoonmoeder. Zonder Ikea, zonder Mediamarkt, zonder Siegfried Bracke. Vooral dat laatste bezorgde mij rillingen van plezier.

Ik nam haar borsten stevig vast, wou ze nooit meer loslaten. Ik beet in haar tepels, zoog eraan als een baby, warm en geborgen. Ik draaide haar om, besprong haar langs achter. Plots kwam ik klaar. Samen met het sperma belandden mijn tranen op haar rug. Ik gooide wat kleingeld in haar schoenen en trok de stad in.

De stad was grijs en somber, de straten liepen dood. De parken lagen er betonnerig bij, geen boom te bespeuren. Op een bank hield een oude man zijn hond vast. Hun dagen waren geteld, dat zag je van hier. Hun ogen waren te flets, hun neus te droog. Ik gaf hen een blikje Kitekat, maar durfde te wedden dat ze het nooit zouden open krijgen. Die gedachte alleen maakte mij al vrolijk. Glimlachend stapte ik een bruin café binnen en bestelde een roycosoep. Ik verbrandde mijn tong net niet.

venetië mijn kloten

[intro] This one's for all the lovers in the world. Check it out yeah uhuh. [einde intro]

Hoe bedroefd ik ook keek, de brandweercommandant bleef voet bij stuk houden. Het was zijn job om risico's te beperken, onze samenleving te ontdoen van alle spontaneïteit, conventionele steriliteit tot het hoogste goed te bombarderen. Zijn overste, de burgemeester van Wippelgem, deed geen moeite om zijn bloedworstgrijns te verbergen.

Ik trok mijn conclusies. Hier zou ik de wereld niet veranderen. Op een knaap als ik zaten ze hier niet te wachten. Hier wilden ze enkel Krüger Export achterover hijsen, frieten met stoofvleessaus en mayonaise binnenwerken en de kuisvrouw van de buren zwaffelen. Ik deed dat ook wel graag, dat moest ik toegeven. Naast koeien bijeendrijven en kauwen rond de kerktoren tellen, waren die drie zaken de belangrijkste bezigheden in mijn rijkgevulde leven.

Het dilemma was hartverscheurend. Maar ik moest sterk zijn, het heft in eigen handen nemen. Niet achterom kijken, niet terugblikken. Geen vals sentiment toelaten. Nu was het mijn moment, nu of nooit. Ik vulde een valies met kleren, frangipanes uit de Aldi en mijn lievelingsbalpen. Ik haalde diep adem en verliet mijn ouderlijk huis. Het was vijf minuten stappen naar het bushokje. De bus naar Ertvelde zou weldra passeren.

dinsdag 3 juni 2014

waterzuring

Prachtige dag vandaag, waterzuring bij de vleet. Ik haalde mijn mosterd bij de schipper naast Mathilde. Daarna liep ik het jaagpad af, tot een fabriek mijn weg versperde. Ik klom op de hoogste schoorsteen en overschouwde mijn vlakke land. Mijn maagdenland. Een sirene maakte duidelijk dat het schafttijd was.

Ik nam mijn boterhamdoos uit mijn knapzak en vervoegde mij bij de simpele arbeiders. Ze praatten over Barack Obama, Higgsdeeltjes en het groot dictee der Nederlandse taal. Ik zuchtte diep. Het was ver gekomen. Als zelfs hier niet over scheten, wijven en rugby gepraat werd. Ik at mijn boterhammen op en maakte mij pijlsnel uit de voeten.

De zon scheen, een merel zong. Ik stond stil bij het leven. Ik dacht aan korte rokjes, spaghettibandjes en bikinilijnen. Mijn grootvader zou mij geen ongelijk geven.