donderdag 28 augustus 2008

bimbo's alom

Gisteren wilde ik weer eens door het bos wandelen om er naar dode muizen te gluren. Mijn veters hielden mij echter tegen, dus bleef ik maar op de parking ronddolen. Tegen de middag kwam Evert vertellen dat het allemaal geen zin meer had. 'Het heeft allemaal geen zin meer,' zei hij. Ik antwoordde met een zo empathisch mogelijke intonatie: 'Is het waar, klootzak?'

Vandaag, 24 uur later, denk ik aan de liefde: hoe mooi, wreed, zalig, saai, verrassend en debiel ze wel kan zijn. 'Debiel?' vraagt een mentaal gehandicapte vrouw, 'Ben jij misschien een gefrustreerde ziel die nog nooit de ware is tegengekomen?' 'Wel integendeel,' antwoord ik gevat, 'mijn patatten moeten gerooid worden.' De vrouw knikt en plukt een appel. 'Niet in bijten!!!' schreeuw ik, 'Deze appels zijn peren!' De vrouw gooit de appel weg en mompelt: 'Ik had het kunnen weten.'

woensdag 20 augustus 2008

stiefke (ballade van het krulhaar)

Stiefke, een jongen met weinig pit, loopt elke morgen langs de vaart. Hij praat tegen wilde eenden, konijnen en meerkoeten. Bij het verlaten brugje huilt hij meestal. Dan hoort elk dier zijn gesnik. Maar ze weten niet wat hij precies doet. De meerkoet denkt dat hij zijn territorium afbakent. De konijnen vermoeden dat hij een vrouwtje versiert. En de wilde eenden hopen dat hij oud brood verpulvert. Maar ze hebben het allemaal mis. Stiefke is superongelukkig.

Stiefke woont bij zijn ouders, broers, zussen, oma en opa. Hij voelt er zich niet volledig op zijn gemak. Hij wil liever helemaal alleen wonen, ergens in een bos of aan het water. Hij wil alleen de natuur als vriend. Maar zo zit het leven niet in elkaar, zeker niet voor een jongen met weinig pit. Hij leeft zijn leven en huilt bijna elke dag, stiekem bij het verlaten brugje.

Op een dag is Stiefke weer eens aan het wenen bij het verlaten brugje als hij plots een zachte stem hoort. 'Waarom huil je?' vraagt de stem. Stiefke kijkt op en ziet een prachtig meisje met bruine krulharen. Hij stopt met huilen en denkt: 'Waauw, zou haar schaamhaar ook zo mooi krullen?'

Einde.

zondag 17 augustus 2008

zwijgen doe ik niet

Soms denk ik aan de dag dat ik een meisje ontmoette in Spanje. Ze vroeg me mee naar het huis van haar vrienden. We bleven er slapen. De eerste nacht gebeurde er niets. De tweede nacht evenmin. De derde nacht had ze iets gesnoven waar ze blijkbaar opgewonden van werd. We hadden seks, maar echt veel soeps was het niet. De vierde nacht gebeurde er niets en een vijfde nacht kwam er niet. Ik moest weer verder.

Zwijgen doe ik niet, maar meestal ben ik wel redelijk stil. Ik luister en kijk. Ik geef zelden over. Ik drink en rook, maar niet overdreven. Ik ben hier en nu. Ik heb spierpijn in mijn rechterbovenarm.

Als men mij vraagt hoe ik de was ophang, antwoord ik steevast: 'Zonder capsones.'
Waarschijnlijk vindt men mij raar, of vreemd. Of anders. Of geniaal. Want geniaal ben ik wel, dat is duidelijk. Vooral als ik mezelf ben.

Gisteren kookte het water in de waterkoker. De thee die ik ermee zette zou in geen tijd opgedronken worden, ware het niet dat het vuurwerk plots begon. Iedereen spurtte naar buiten om van dit doordeweeks spektakel te genieten. Ik bleef uiteraard binnen. Ik was de einzelgänger, zou Boris Becker zeggen.

Mijn strepen verdiende ik in Afrika, het vergeten continent. Mijn Afrikaanse vrienden, Jaap en Kees, waren uitgeput van het vele vissen. Ik had nog nooit gevist, maar wilde het wel eens proberen. Helaas mocht ik niet van Jaap, de dominante oelewapper. Ik nam een peddel en sloeg ermee in Jaaps aangezicht. Kees begon te huilen van geluk. Zijn tranen vielen in zee.

Maanden later, op een mistige voormiddag in Wondelgem, kwam ik een oude bekende tegen. We babbelden even over het leven en dronken vervolgens een pint of vier in een marginaal café. De oude bekende, ik was zijn naam vergeten, vertelde dat hij twee keer in de week 5 kilometer liep. Ik knikte en dacht aan andere zaken.

donderdag 14 augustus 2008

een doktersbezoekje

Een man en een vrouw zaten naast elkaar op de bus. Ze gingen samen naar de dokter. Op een gegeven moment zei de vrouw: 'Kijk daar! Een bushalte!' De man snapte direct wat ze bedoelde en begon ook te flippen. 'Wohoow! Schitterend!' schreeuwde hij uit. De buschauffeur was niet zo gediend met dit kabaal in zijn bus. Hij stopte en maande de man en vrouw vriendelijk aan om uit te stappen. Dat kwam heel goed uit, want de dokter woonde hier toevallig. Toevallig???

tevreden huisvrouwen

Niet dat alles rimpelloos verliep, maar achteraf bekeken was het wel een mooi partijtje schaak. Arnon had een paar torens opgeofferd en hield zijn paarden angstvallig op stal. Dimitri probeerde het slim te spelen en liet geregeld stille, maar extreem stinkende scheten. De scheidsrechter had niets door.

Herman, een man zoals honderd andere, keek geboeid toe. Zijn handboeien blonken in het felle licht. Zijn bewakers vielen in slaap. Herman greep deze kans: hij bestelde een pintje en dronk ze in één teug leeg. De bewakers hadden niets in de mot. Herman grijnsde.

Fouad Aziz Abrimov, een genaturaliseerde Rus met Arabische ouders, begon hysterisch te lachen. Alle toeschouwers vroegen zich af waarom. 'Misschien heeft hij last van aambeien,' fluisterde Henk tegen Jaap. Jaap dacht er het zijne van.

Uiteindelijk won Dimitri dankzij een welgemikte kopstoot. Arnon probeerde nog zijn loper tactisch te verplaatsen, maar het mocht niet baten. De scheidsrechter floot op zijn fluitje, want dat deed hij graag. Alle aanwezigen verlieten de zaal, behalve Guido, een man met een missie. Zijn missie: stiekem in verlaten zalen blijven zitten. Hij hield zijn avonturen bij op een druk bezochte blog: Wafels Bakken Zonder Mijn Vingers Te Verbranden.

Het waren vooral onhandige huisvrouwen die zijn blog bezochten, in de hoop tips te krijgen over wafels bakken zonder daarbij je vingers te verbranden. Diep ontgoocheld lazen ze dan zijn belachelijke avonturen over verlaten zalen en hoe hij er nachten lang stiekem verbleef. Na het lezen van zijn blog waren de meeste huisvrouwen echter volledig opgemonterd. 'Die loser heeft nog een zieliger leven dan ik!' dachten ze tevreden, en ze trokken terug naar hun keuken om gezwind patatten te schillen.

maandag 11 augustus 2008

voor alle zekerheid

Ik kwam Mariette tegen bij de bakker. We babbelden even over koetjes en kalfjes. Mariette was namelijk boerin. Ik bestelde een boerenbrood, niet gesneden. Dat snijden deed ik zelf wel, gratis en voor niets. Ik sprong op m'n fiets en reed naar huis. Het was een grijze dag, maar ik was goedgemutst. Ik zwaaide naar elke voetganger. Ik naderde mijn huis. Ik kwam dichter en dichter. Plots was ik er. Ik stapte af en ging naar binnen. De tv stond nog aan. Ik zette hem uit. Ik maakte een gin-tonic en goot hem door de pompsteen. Zo kreeg die ook eens wat lekkers te drinken. Ik keek naar buiten en bleef enkele uren staan.

maandag 28 juli 2008

een prachtig viswijf

Er zat niets anders op dan rond te lopen op één been. Mijn ander been was verbrijzeld door een blok beton. Een prachtig viswijf lachte mij uit. Ik wierp haar mijn meest minachtende blik toe. Ze hield op met lachen. Ze nam een rotte schelvis en at deze op. Ik schrok me een bult.

Dat was in kort het relaas van die bewuste donderdag, 25 februari 1988, en hoe ik aan die bult op mijn rug kwam. Ik had het verhaal al vijfhonderd keer verteld, maar nog steeds veranderde ik de feiten. Mijn favoriete versie bleef wel de volgende:

Het was donker. Ik was niet bang. Ik at een pindanoot. Ik vloog door oceanen, bergen en visvijvers. Een komkommer sprak mij aan: 'Is Ben Hur werkelijk de broer van Ben X?' Ik antwoordde: 'Maar nee, jeanet, Ben Hur is al lang dood en Ben X is een film van Nic Balthazar die pas in 2007 uitkomt!' De komkommer zag er plots heel verdrietig uit. Ik troostte hem met een versje van Vader Abraham dat altijd in mijn achterzak zat. Plots kwam een Potsdammer mijn richting uit. 'Joepie,' dacht ik bij mezelf. Maar de Potsdammer brak mijn rug om zijn vriendin te imponeren. En zo kom ik dus aan die bult op mijn rug. De chirurgen van toen waren namelijk nog niet zo begaafd als vandaag de dag. Jaja, het is nogal wat.

zaterdag 26 juli 2008

in de club

Na lange tijd van afwezigheid was ik terug aanwezig.
Mijn aanwezigheid werd opgemerkt door twee mensen: Jan en Dees.
Voor hetzelfde geld waren het Pol en Guido, de losers van het dorp.
Veel modder kregen ze niet op hun bord, die twee.

Ik moest lachen van zoveel tristesse.
Mijn banaan was rot. Het was zeker een van de Lidl.
Na vijftien pintjes verliet Dees het dorpscafé.
Hij vond zijn fiets niet meer.

woensdag 2 juli 2008

eddy wally

Eddy Wally, een man met een doordringende blik, leunde tegen een lantaarnpaal. Nu moet u weten dat lantaarnpalen doorgaans stevig in de grond vastgemaakt zijn. Gespecialiseerde vakmensen zorgen hiervoor. De paal waar Eddy Wally tegen stond was zo'n stevig in de grond vastgemaakte lantaarnpaal. Eddy bekeek dit fenomeen langdurig. Hij hield wel van doodnormale dingen. Duizenden mensen passeren dagelijks ettelijke lantaarnpalen, maar staan er nooit echt bij stil. Eddy vond dit jammer. Hij besloot er een liedje over te schrijven. Het eindigde als volgt: '... melken in de wei, zoals wachten in een lange rij.'

twee polen in hongarije

Twee Polen fietsten door Hongarije. Ze waren een beetje verdwaald. Hun oriëntatiegevoel liet hen in de steek. Bovendien was het pikdonker en hadden ze geen eten bij. Al hun boterhammen hadden ze al na een paar uur opgegeten. Hun mama had er maar 6 gemaakt. Zes bleek achteraf te weinig. De Polen namen hun gsm en belden naar huis. 'Mama, je hebt te weinig boterhammen gemaakt!' zei de ene Pool verontwaardigd toen hij zijn moeder hoorde. 'Maar, jongen toch, ik heb jullie nog zo gezegd om ook een banaan mee te nemen,' antwoordde de bezorgde mama. 'Ah ja, dat is waar,' zei de Pool, 'dat zijn we vergeten.'

dinsdag 1 juli 2008

een pol

Een pol vloog door de lucht. Hij vloog recht in mijn neus. Ik moest niezen. Het speeksel vloog langs alle kanten. Mensen walgden bij het voelen van nattigheid op hun gezicht. Ik werd weggestuurd. Ik vond dat niet erg.

Ik wandelde de stad uit, doelloos maar tevreden. Ik zong een liedje, een mottig nummer dat bleef hangen in mijn hoofd. Een beekje kabbelde. Een jonge vrouw passeerde op de fiets. Het was een erg mooie fiets.

zaterdag 28 juni 2008

zwijgzaam

Ik ben regelmatig in een zwijgzame bui. Dan zeg ik meestal niets. Ik neem waar en luister naar geluiden. Ik kijk en zie beweging hier en daar. Ik voel de wind of de zon. Ik denk aan zo weinig mogelijk. Ik denk aan banale zaken. Ik denk, dus ik denk. Denken is mijn hobby. Ik denk graag. Soms denk ik aan diepzinnige toestanden. Soms denk ik niet. Ik denk meestal wel. Aan van alles. Aan wat was, is en zal. Denken kan deugd doen. Ik hou van denken, maar 't mag niet te ver gaan. Soms is denken niet goed. Dan denk ik liever niet. Maar denken hou je niet tegen. In die zin is denken perfect te vergelijken met worst. Worst hou je ook niet tegen. Niemand is er tegen opgewassen.

een citaat

Mijn grootvader zei op een dag: "Mijn vader zei altijd: 'Mensen citeren is het stomste dat men kan doen,' en ik geef hem groot gelijk!"

ik trok

Ik trok door bergen.
Ik viel in een ravijn.
Ik stierf.

Mijn begrafenis verliep vlotjes. Er waren geen noemenswaardige incidenten. Behalve misschien het voorval met tante Nonneke en nonkel Dré. Nonkel Dré was weer zo zat als een kanon. Tante Nonneke begon te bidden: 'Jezus, Maria, Jozef die in de hemelen zijt...' Nonkel Dré werd altijd woest van haar gebeden, zeker als hij zat was als een kanon. 'Houd uw muil, gij lelijke trut!' schreeuwde nonkel Dré. Waarop nonkel Prospeer en nonkel Dolf zich in de strijd mengden en nonkel Dré het zwijgen oplegden. Ondertussen was nicht Ines gevallen en had neefje Dokus in zijn broek gedaan. Het kabaal was oorverdovend, net zoals op elk familiefeest.

Gelukkig was ik dood en moest ik dit allemaal niet meer meemaken. In de hemel was het rustig: ik zat op een wolk en keek naar links. Allemaal wolken. Ik keek naar rechts: nog meer wolken. Het was hier eigenlijk nogal saai. Ik deed mijn ogen toe en viel in slaap. Ik droomde van het leven en werd even later wakker. Het regende pijpestelen. Wie had dat gedacht?

vrijdag 27 juni 2008

wonderwel

Wiskunde lag hem wonderwel niet zo goed.
Hij stond te kijken naar enkele sterren.
Hij had een buil op zijn achterhoofd.
Een buil als eieren zo groot.

minstens vijfendertig

Walter, Edouard en Frans-Paulenta zaten in een café te praten over de dingen des levens. Plots zei Walter: 'Hoe meer ik drink, hoe vaker ik moet pissen.' De andere twee keken eens naar elkaar en schoten in de lach. Ja, voor dergelijke zinsneden moest je wel bij Walter zijn.

Godfried, een man met een frietkot, bakte vettige frieten. Hij was erom bekend. Alle hoeren uit de buurt gingen bij hem frieten eten. Op een dag zei zo een hoer: 'Godfried, uw frieten zijn goddelijk.' Godfried ontving dit compliment in alle bescheidenheid.

Markske (men noemde hem zo omdat hij nogal klein was) en Jefke (dat was, helaas voor hem, zijn echte naam) keken samen naar de koers. Een coureur viel op de grond en had zich duidelijk bezeerd. Jefke stak een sigaret op. Markske was gestopt met roken.

woensdag 25 juni 2008

aan benny

Ik weet dat je stiekem verliefd op me bent.
Elke keer als ik me voorover buig, voel ik jouw steelse blik.
Mijn viriele geur windt je ongetwijfeld enorm op.
Je kan er ook niets aan doen; verliefdheid overvalt je, grijpt je bij de keel en laat je niet meer los.
Ik heb wel een beetje medelijden met je, zeker nu je me twee maanden niet zal zien.
Het zullen zware maanden worden. Ik wens je veel succes.

een winkel in avondschemerlanddorp

Voor ik het vergeet: een welgemikte kus kan opwindend zijn.
Maar een winkel in Avondschemerlanddorp heeft het moeilijk om te overleven.
Ik vind dat jammer. Echt jammer.

maandag 23 juni 2008

fluks

Ik loop.
Ik loop door velden.
Ik zeg: ooit, ooit zal ik stilstaan.
God, die brave man waar ik niet in geloof, zegt, totaal naast de kwestie: ach, van lopen word je moe.
Ik antwoord in gedachten: hou je kop, man, ik heb je niets gevraagd.
God, barmhartig als hij is, glimlacht liefdevol en fluistert: kerel, nog één keer zo een opmerking en ik zweer u dat ge zult smeken om genade.
Ik zwijg.
Ik zwijg, maar niet voor lang.
Ik zeg, eerder toegeeflijk: das leben kann schön sein!
Waarop god: Duits is nooit mijn sterkste vak geweest op school.

opstand

Ze kwamen allemaal in opstand: de heren, de dames en de zogezegde zaligen van geest. Evert dacht er het zijne van. Hij hield niet zo van opstand. Hij hield wel enorm veel van spruitjes, hetgeen hem redelijk uniek maakte.

Een heer loste een schot met zijn tweeloop. Een venster brak in duizend stukken. De burgemeester riep 'Stop deze waanzin!' maar niemand luisterde. Isabel, de dochter van de dokter, draaide een tong met Mark, de zoon van de apotheker.

Plots vloog een straaljager over. Het bombardement kon beginnen. Evert vluchtte het bos in. Hij hield wel van bossen.