donderdag 16 oktober 2008

clouseau knipt papiertjes

Wiskunde is een vak op school waar de meeste scholieren van moeten kotsen. Sommige scholieren (hoofdzakelijk mannelijke) krijgen een erectie van wiskunde; dit zijn de wiskundeknobbels. Ze zijn gemakkelijk te herkennen: hun bank staat enkele centimeters hoger dan die van de rest. De wiskundeleerkracht (meestal een would-be-wiskundeknobbel) screent in het begin van de les al zijn leerlingen op het hoge-bankensyndroom. Dat hebben ze geleerd in hun aggregaat. De banken die hoger staan worden onherroepelijk uit het lokaal verwijderd. Daar zit de wiskundeknobbel dan met zijn erectie, moederziel alleen. De leerkracht gniffelt en voelt zich weer enkele momenten beter. Daarna komt de leegte terug.

plankton schandalig duur

Waarom weet ik niet, maar mijn walvissen eten meer en meer. Ze hebben constant honger. Ze weten van geen ophouden. Ik haat ze! Walter Capiau is bijna dood, maar mijn walvissen denken alleen maar aan plankton, elke seconde van de dag. Ik fluister hen zachtjes toe: 'Komaan, lieve kutbeesten, eet toch wat minder!' Maar ik heb de indruk dat ze mij niet verstaan. Of juist wel, en doen ze het expres! Waarschijnlijk zitten ze in de puberteit of zo. Ja, dat zal het zijn. Ze rebelleren, zetten zich van mij af, willen op eigen benen staan. En wie ben ik om hen tegen te houden?

vrijdag 3 oktober 2008

de zondvloed

Ik dacht aan meeuwen die rotsen onderschijten. Ik hield een verrekijker in mijn handen. De zee was woest, woester dan ooit. Veel mensen waren hier niet. Alleen jij en ik, schuilend onder een eenzaam boompje. Een drieteenmeeuw vloog over. Aan de horizon leek het op te klaren, maar vlak bij ons bliksemde het nog volop. Een vissersboot haastte zich naar de veilige haven. Zou hij het halen? Je weet nooit wat het leven brengen zal. Niet God, en Helmut Lotti nog minder, zal je leven in handen nemen. Je kan hopen, smeken en dreigen. Je kan zingen, vechten, huilen, bidden, lachen, werken en bewonderen. Je kan rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. Je kan liedjesteksten parafraseren zoveel je wil, God noch Helmut Lotti zal je helpen.

de waarheid

Ik hou van mijn vriendin. Het is een ongelooflijke vrouw. Iedereen die haar kent zal dat beamen. Maar uiteraard weten zij nog niet de helft van wat ik weet.

woensdag 1 oktober 2008

puur voor de lol

Puur voor de lol liep ik gisteren door Brugge en Parijs. De wolkenvelden leken sterk op mijn droom van de afgelopen jaren: wolkenvelden boven Brugge en Parijs. Ik sloeg een Fransman gade. Ik stapte op de metro. Ik bezocht een museum. Ik amuseerde me volop.

'Jochei!' riep ik op een brug. Mensen in bootjes keken mij aan. Ik zwaaide naar een stadsduif. De winkels die ik passeerde zagen er fantastisch uit. Ze verkochten alles wat een mens maar kon wensen: kleren, washandjes, groenten en fruit, bier, kruiden, Zweedse meubelen, chocolode, enzovoort. Ik stond versteld.

Mijn evenknie op het vlak van wonderen verrichten, Jaap Zoutboom, struikelde over een uitgestoken been van een Franse dame. Ze raakten aan de praat en werden verliefd. Ik was blij voor hen.

maandag 29 september 2008

slapen zonder zorgen

De vrouw lag in bed. Ze sliep nog niet. Ze wachtte op haar man. Haar man zat op het toilet. Wat hij daar deed kan zelfs het kleinste kind raden: hij loste kruiswoordraadsels op. Hij dacht diep na.

De vrouw viel in slaap. Ze snurkte luidkeels. Haar man lag ondertussen naast haar. Hij kon niet slapen.

Een kind begon te huilen. De man troostte het kind en kroop weer in bed. Het was twee uur 's nachts. De maan was niet te bespeuren. De vrouw had het deken naar zich toe getrokken.

Zes uur. De man stond op en rookte een sigaret. Het was mistig. Hij stapte in de auto en reed weg. Na een tijd viel hij in slaap. Eindelijk.

wilde zwijnen

In China, het land van spleet- en andere ogen, heeft de ekster het nu eenmaal hard te verduren.
Vraag mij niet waarom, maar veel volkeren zoeken de ziel van geplette bananen.
Georges Leekens, een trainer van een Belgisch voetbalploegje, zoekt vooral genot bij wildvreemde vrouwen.

vrijdag 26 september 2008

jaloezie

Evert is nog steeds jaloers op Rebecca omdat zij groene schoenen heeft en hij niet. Hij wil hier iets aan doen. Op een nacht sluipt hij door de straten op zoek naar het huis van Rebecca. Na enkele uren heeft hij het gevonden. Hij heeft ondertussen honger en dorst, maar zijn missie gaat voor. Hij breekt binnen via het kelderraam en vindt haar schoenen in de gang. Hij neemt zijn verfborstel en potje verf en begint haar schoenen paars te schilderen. Hij zou graag Rebecca's gezicht zien als ze morgen naar beneden komt! Terug thuis verft hij zijn eigen schoenen groen en kruipt daarna tevreden in zijn bed.

Evert gaat naar school in zijn groene schoenen. Hij ziet Rebecca nergens. 'Zou ze niet durven komen in haar paarse schoenen?' vraagt Evert zich af, 'Of zou ze overreden zijn door een bus?' Hij besluit er zich niets van aan te trekken en zondert zich af in zijn hoekje op de speelplaats. Het is zíjn hoekje. Niemand anders mag er komen. Hij zit er in de schaduw, naast de vuilbakken. Soms gooien de andere kinderen afval naar hem, maar nu hij groene schoenen heeft zal dat zeker niet meer het geval zijn. 'Het leven lacht mij toe!' denkt Evert opgetogen.

De juffrouw vraagt waar Rebecca is. De leerlingen kijken elkaar aan en trekken hun schouders op. Niemand weet van iets. Helemaal achteraan steekt Evert weifelend zijn vinger op. 'Ja, Evert, weet jij toevallig meer?' vraagt de juf. 'Eh, misschien wel ja...' stamelt Evert. 'Wel, vertel maar, jongen,' spoort de juf hem aan. Evert haalt diep adem en blozend vertelt hij het relaas van afgelopen nacht: 'Ik ben stiekem bij Rebecca thuis geweest en heb haar schoenen paars geverfd. Ik denk dat ze daarom niet naar school durft te komen.' De hele klas schiet in de lach. De juf lacht opgewekt mee. 'Maar Evert toch, wat ben jij een totale loser!' zegt ze na vijf minuten lachen.

Evert kijkt naar zijn handen en voelt zijn bloed koken. 'Wacht maar, juffrouw Sofie, wacht maar. Vannacht is het jouw beurt.' denkt hij vol haat. Hij kan niet wachten tot het donker wordt.

maandag 22 september 2008

hoop

Sinds 2001 hopen alle wolkenkrabbers ter wereld dat ook zij eens het doelwit zullen worden van terroristische aanslagen.
Walter De Buck hoopt al dertig jaar dat Dana Winner eens bij hem op bezoek komt.
En ik, ik zit hier maar zielig en alleen met mijn vrouw, kinderen, familie, vrienden, collega's, aanbidders, fans en profiteurs, te drinken tot de morgenstond en te hopen op een spectaculaire botsing tussen een joggende papzak en een bedelende muzikant.
We zijn ook maar mensen, hé.

vrijdag 19 september 2008

twee mensen

Twee mensen liepen samen. Ze hielden elkaars hand vast. Hun hond was net aangevallen door een andere hond. Zijn kop was aan flarden gebeten, maar met een beetje geluk zou hij het overleven. Hij zou nooit meer dezelfde zijn, zou nooit meer zelfstandig kunnen eten, maar hij zou er wel nog zijn. En dat vonden de twee mensen belangrijk. Hun hond lag een week bij de dierenarts. De dierenarts leverde knap werk en verdiende een flinke stuiver aan hun hond. Hij had zelden zoiets meegemaakt. De meesten zouden hun hond een spuitje willen geven, maar deze twee mensen niet. Zij spaarden kosten noch moeite om hun hond erdoor te krijgen. En met succes. Een week later was hun hond weer thuis, dolgelukkig, al moest hij opletten dat hij niet te enthousiast blafte. Hun andere hond was ook tevreden. Zo een hele week alleen was toch niets voor haar. Nu konden ze weer samen spelen.

Ze lagen in de zetel, alle vier: de twee honden en de twee mensen. Ze keken naar tv en vielen in slaap. Midden in de nacht werden ze wakker. Er werd op de deur geklopt. Het was God. God sprak tot hen met een accent dat verbazend veel aan de man van Melle deed denken: 'Beste jongelingen. Ik ben God. Ik mag jongelingen zeggen want ik ben al heel oud. Als ik het goed heb ben ik de oudste van de hele wereld. Straf hé. Eigenlijk zou ik in het Guiness Book for World Records moeten staan, maar die klootzakken geloven mij niet. 'k Heb hen nochtans al vijfendertigduizend keer geschreven.' God pauzeerde even, keek naar het plafond en barstte in tranen uit: 'Ach, ik voel mij niet goed. Ik heb nood aan liefde, affectie, bier en anale seks. Ik wil voetballen met de straatkinderen uit Lembeke. Ik wil het Belgacomgebouw beklimmen en ervan springen, net zoals alle normale mensen. Ik wil God niet meer zijn!'

De honden begonnen lichtjes te grommen, de ene al iets overtuigender dan de andere. Eén van hun baasjes gaf God een schouderklopje en zei: 'Maar God toch, het leven kan niet altijd rooskleurig zijn. Het is normaal dat ge eens een dipje hebt. Mijn vrouw heeft dat elke dag! Trouwens, het gras is altijd groener aan de overkant. En 't is maar door te vallen dat je leert opstaan. Na regen komt zonneschijn. Liever twee kippen op een stok dan een vrouw met wrok in uw broek. Harde noedels in kokend water worden zacht een beetje later. Walter Capiau is ook maar een klein ventje dat elke zondag zijn gras afrijdt.'

God geeuwde verveeld en zocht naar excuses om te kunnen vluchten: 'Eh, allemaal heel interessant, maar ik herinner mij plots dat ik dringend bij Monica Lewinsky op bezoek moet gaan. En mijn was moet opgehangen worden!' Hij spurtte weg en struikelde over een palet tegels. Hij overleefde zijn val niet.

een mottig ventje

Een mottig ventje herken je aan zijn voetbalschoenen, zei mijn grootvader altijd. Ik hield zodanig van mijn grootvader dat ik elke week zijn spaarpot leegroofde. Hij vond dat niet erg, zei mijn grootmoeder dan. Ik hield wel van mijn grootmoeder. Het was een kranige oude zatlap. Ze dronk een bak Pale Ale per dag. Ik keek daar enorm naar op. Elke vrijdag was het visdag, maar wij aten boterhammen met hoofdvlees. God wil het zo, zei mijn grootvader autoritair. Ik respecteerde hem met heel mijn hart en ziel, maar na dergelijke uitspraken schopte ik toch meestal recht in zijn aangezicht. Ja, ik was een rebelse jongen.

de maskerade

Ik ging naar een gemaskerd bal in Zevergem, De Pinte. Aan zijn angstzweet herkende ik Yves Leterme. Verder waren ook koningin Paola, Tia Hellebaut en Geert Lambert goed herkenbaar. De Croo viel pas op toen hij begon te spreken. Herman Brusselmans deelde zijn meest recente boek, 'Een dag in Gent', gratis uit. Jacques Rogge was zoals steeds erg onopvallend. Niemand herkende hem.

Ik nam de microfoon en begon aan mijn speech: 'Hooggeachte aanwezigen, ik moet dringend naar het toilet.' Enkel Kamagurka kon hier engiszins mee lachen. Het deed hem denken aan een cartoon die hij in de jaren zeventig had getekend. Ik knipoogde naar hem, maar hij ontweek mijn blik. De omhooggevallen drol.

Wiskunde was nooit mijn sterkste vak. Ik haatte sinus, cosinus, matrices, integralen, lateralen, marginalen en poutrellen. Ik liep rond op dat gemaskerd bal en moest denken aan mijn lerares wiskunde van jaren geleden. Ze heette Stook. Het was een klein vrouwtje, maar ze wist van wanten. Haar grootmoeder was al lang dood. Ze had een mentaal gehandicapte zoon als ik mij niet vergis. Ze kon heel goed uit het hoofd rekenen. Verder trok ik mij niet te veel van haar aan.

Dieumerci Vanacker, een boer met een exotische voornaam, sprak mij aan. Ik herkende hem aan zijn stinkende bek. Hij at elke dag pitta met looksaus. Hij vertelde een lol over schijnzelfstandigen, waarbij zijn speeksel in mijn gezicht terechtkwam. Gelukkig had ik een masker aan. Ik lachte luidkeels, zoals het hoort, en trok aan de alarmbel. Iemand riep 'Brand!!', paniek alom, hysterische vrouwen vielen over hoge hakken, dikke mannen zochten vlug nog iets om te sneukelen vooraleer ze zich naar uitgang begaven, maskers vlogen door de lucht. 'Aha, nu herken ik u,' zei koningin Paola triomfantelijk tegen een man die al de hele avond met haar stond te babbelen, maar nu zijn biezen pakte, 'Gij zijt Frank Bomans, nietwaar?'

woensdag 3 september 2008

pater Damiaan

Soms vraagt men mij hoe het eigenlijk écht met me gaat.
Ik antwoord meestal zo:

"De wereld vergaat. Bomen verliezen hun interesse in tonijnsla. Wolkenkrabbers hebben overal jeuk. Ik sta te kijken naar alles en niets. Ik hoor pater Damiaan zingen. Hij zingt een lied. Walvissen, krabben en mosselen houden een theekransje. Ze hebben geen besef van eender wat. Evert, een imaginaire man wiens naam mij telkens als eerste te binnen schiet als ik begin te schrijven, denkt diep na. Wortels worden geraspt. Een golf verschijnt en verdwijnt. Alles eindigt ooit. Martha, een dame zonder capsones, loopt tegen de muur. Maar ik voel mij eigenlijk wel goed, hoor."

donderdag 28 augustus 2008

bimbo's alom

Gisteren wilde ik weer eens door het bos wandelen om er naar dode muizen te gluren. Mijn veters hielden mij echter tegen, dus bleef ik maar op de parking ronddolen. Tegen de middag kwam Evert vertellen dat het allemaal geen zin meer had. 'Het heeft allemaal geen zin meer,' zei hij. Ik antwoordde met een zo empathisch mogelijke intonatie: 'Is het waar, klootzak?'

Vandaag, 24 uur later, denk ik aan de liefde: hoe mooi, wreed, zalig, saai, verrassend en debiel ze wel kan zijn. 'Debiel?' vraagt een mentaal gehandicapte vrouw, 'Ben jij misschien een gefrustreerde ziel die nog nooit de ware is tegengekomen?' 'Wel integendeel,' antwoord ik gevat, 'mijn patatten moeten gerooid worden.' De vrouw knikt en plukt een appel. 'Niet in bijten!!!' schreeuw ik, 'Deze appels zijn peren!' De vrouw gooit de appel weg en mompelt: 'Ik had het kunnen weten.'

woensdag 20 augustus 2008

stiefke (ballade van het krulhaar)

Stiefke, een jongen met weinig pit, loopt elke morgen langs de vaart. Hij praat tegen wilde eenden, konijnen en meerkoeten. Bij het verlaten brugje huilt hij meestal. Dan hoort elk dier zijn gesnik. Maar ze weten niet wat hij precies doet. De meerkoet denkt dat hij zijn territorium afbakent. De konijnen vermoeden dat hij een vrouwtje versiert. En de wilde eenden hopen dat hij oud brood verpulvert. Maar ze hebben het allemaal mis. Stiefke is superongelukkig.

Stiefke woont bij zijn ouders, broers, zussen, oma en opa. Hij voelt er zich niet volledig op zijn gemak. Hij wil liever helemaal alleen wonen, ergens in een bos of aan het water. Hij wil alleen de natuur als vriend. Maar zo zit het leven niet in elkaar, zeker niet voor een jongen met weinig pit. Hij leeft zijn leven en huilt bijna elke dag, stiekem bij het verlaten brugje.

Op een dag is Stiefke weer eens aan het wenen bij het verlaten brugje als hij plots een zachte stem hoort. 'Waarom huil je?' vraagt de stem. Stiefke kijkt op en ziet een prachtig meisje met bruine krulharen. Hij stopt met huilen en denkt: 'Waauw, zou haar schaamhaar ook zo mooi krullen?'

Einde.

zondag 17 augustus 2008

zwijgen doe ik niet

Soms denk ik aan de dag dat ik een meisje ontmoette in Spanje. Ze vroeg me mee naar het huis van haar vrienden. We bleven er slapen. De eerste nacht gebeurde er niets. De tweede nacht evenmin. De derde nacht had ze iets gesnoven waar ze blijkbaar opgewonden van werd. We hadden seks, maar echt veel soeps was het niet. De vierde nacht gebeurde er niets en een vijfde nacht kwam er niet. Ik moest weer verder.

Zwijgen doe ik niet, maar meestal ben ik wel redelijk stil. Ik luister en kijk. Ik geef zelden over. Ik drink en rook, maar niet overdreven. Ik ben hier en nu. Ik heb spierpijn in mijn rechterbovenarm.

Als men mij vraagt hoe ik de was ophang, antwoord ik steevast: 'Zonder capsones.'
Waarschijnlijk vindt men mij raar, of vreemd. Of anders. Of geniaal. Want geniaal ben ik wel, dat is duidelijk. Vooral als ik mezelf ben.

Gisteren kookte het water in de waterkoker. De thee die ik ermee zette zou in geen tijd opgedronken worden, ware het niet dat het vuurwerk plots begon. Iedereen spurtte naar buiten om van dit doordeweeks spektakel te genieten. Ik bleef uiteraard binnen. Ik was de einzelgänger, zou Boris Becker zeggen.

Mijn strepen verdiende ik in Afrika, het vergeten continent. Mijn Afrikaanse vrienden, Jaap en Kees, waren uitgeput van het vele vissen. Ik had nog nooit gevist, maar wilde het wel eens proberen. Helaas mocht ik niet van Jaap, de dominante oelewapper. Ik nam een peddel en sloeg ermee in Jaaps aangezicht. Kees begon te huilen van geluk. Zijn tranen vielen in zee.

Maanden later, op een mistige voormiddag in Wondelgem, kwam ik een oude bekende tegen. We babbelden even over het leven en dronken vervolgens een pint of vier in een marginaal café. De oude bekende, ik was zijn naam vergeten, vertelde dat hij twee keer in de week 5 kilometer liep. Ik knikte en dacht aan andere zaken.

donderdag 14 augustus 2008

een doktersbezoekje

Een man en een vrouw zaten naast elkaar op de bus. Ze gingen samen naar de dokter. Op een gegeven moment zei de vrouw: 'Kijk daar! Een bushalte!' De man snapte direct wat ze bedoelde en begon ook te flippen. 'Wohoow! Schitterend!' schreeuwde hij uit. De buschauffeur was niet zo gediend met dit kabaal in zijn bus. Hij stopte en maande de man en vrouw vriendelijk aan om uit te stappen. Dat kwam heel goed uit, want de dokter woonde hier toevallig. Toevallig???

tevreden huisvrouwen

Niet dat alles rimpelloos verliep, maar achteraf bekeken was het wel een mooi partijtje schaak. Arnon had een paar torens opgeofferd en hield zijn paarden angstvallig op stal. Dimitri probeerde het slim te spelen en liet geregeld stille, maar extreem stinkende scheten. De scheidsrechter had niets door.

Herman, een man zoals honderd andere, keek geboeid toe. Zijn handboeien blonken in het felle licht. Zijn bewakers vielen in slaap. Herman greep deze kans: hij bestelde een pintje en dronk ze in één teug leeg. De bewakers hadden niets in de mot. Herman grijnsde.

Fouad Aziz Abrimov, een genaturaliseerde Rus met Arabische ouders, begon hysterisch te lachen. Alle toeschouwers vroegen zich af waarom. 'Misschien heeft hij last van aambeien,' fluisterde Henk tegen Jaap. Jaap dacht er het zijne van.

Uiteindelijk won Dimitri dankzij een welgemikte kopstoot. Arnon probeerde nog zijn loper tactisch te verplaatsen, maar het mocht niet baten. De scheidsrechter floot op zijn fluitje, want dat deed hij graag. Alle aanwezigen verlieten de zaal, behalve Guido, een man met een missie. Zijn missie: stiekem in verlaten zalen blijven zitten. Hij hield zijn avonturen bij op een druk bezochte blog: Wafels Bakken Zonder Mijn Vingers Te Verbranden.

Het waren vooral onhandige huisvrouwen die zijn blog bezochten, in de hoop tips te krijgen over wafels bakken zonder daarbij je vingers te verbranden. Diep ontgoocheld lazen ze dan zijn belachelijke avonturen over verlaten zalen en hoe hij er nachten lang stiekem verbleef. Na het lezen van zijn blog waren de meeste huisvrouwen echter volledig opgemonterd. 'Die loser heeft nog een zieliger leven dan ik!' dachten ze tevreden, en ze trokken terug naar hun keuken om gezwind patatten te schillen.

maandag 11 augustus 2008

voor alle zekerheid

Ik kwam Mariette tegen bij de bakker. We babbelden even over koetjes en kalfjes. Mariette was namelijk boerin. Ik bestelde een boerenbrood, niet gesneden. Dat snijden deed ik zelf wel, gratis en voor niets. Ik sprong op m'n fiets en reed naar huis. Het was een grijze dag, maar ik was goedgemutst. Ik zwaaide naar elke voetganger. Ik naderde mijn huis. Ik kwam dichter en dichter. Plots was ik er. Ik stapte af en ging naar binnen. De tv stond nog aan. Ik zette hem uit. Ik maakte een gin-tonic en goot hem door de pompsteen. Zo kreeg die ook eens wat lekkers te drinken. Ik keek naar buiten en bleef enkele uren staan.

maandag 28 juli 2008

een prachtig viswijf

Er zat niets anders op dan rond te lopen op één been. Mijn ander been was verbrijzeld door een blok beton. Een prachtig viswijf lachte mij uit. Ik wierp haar mijn meest minachtende blik toe. Ze hield op met lachen. Ze nam een rotte schelvis en at deze op. Ik schrok me een bult.

Dat was in kort het relaas van die bewuste donderdag, 25 februari 1988, en hoe ik aan die bult op mijn rug kwam. Ik had het verhaal al vijfhonderd keer verteld, maar nog steeds veranderde ik de feiten. Mijn favoriete versie bleef wel de volgende:

Het was donker. Ik was niet bang. Ik at een pindanoot. Ik vloog door oceanen, bergen en visvijvers. Een komkommer sprak mij aan: 'Is Ben Hur werkelijk de broer van Ben X?' Ik antwoordde: 'Maar nee, jeanet, Ben Hur is al lang dood en Ben X is een film van Nic Balthazar die pas in 2007 uitkomt!' De komkommer zag er plots heel verdrietig uit. Ik troostte hem met een versje van Vader Abraham dat altijd in mijn achterzak zat. Plots kwam een Potsdammer mijn richting uit. 'Joepie,' dacht ik bij mezelf. Maar de Potsdammer brak mijn rug om zijn vriendin te imponeren. En zo kom ik dus aan die bult op mijn rug. De chirurgen van toen waren namelijk nog niet zo begaafd als vandaag de dag. Jaja, het is nogal wat.