dinsdag 18 augustus 2015

pagina 778

Vijf paar schoenen heb ik al versleten. Zestien wijven heb ik afgebeld. Ze wisten niet waar ze het hadden, huppelden met hun vetkwabben de Noordzee in. De strandwachter zong het themalied van Mega Mindy alvorens hij op zijn toeter blies. Ik wou ook eens op zijn toeter blazen, maar kon de benodigde diploma's niet voorleggen. Hoog van de toren was hij wel. Kortgeschoren hoofdhaar, tanden die blonken in de wind. Zijn speeksel smaakte naar tomate crevette.

Ik geef je mijn hele arm, maar je neemt enkel mijn vinger. Hij past precies in je poepegaatje, dat weet ik zeker. Ik fluister in je oor dat ik het zeker weet. Een zweetdruppel leidt de weg via je ruggengraat tot in je bilspleet. Ik moet denken aan die avond in Zeveneken, toen we samen de kerktoren beklommen. Na anderhalve meter vielen we op de grond, net naast het graf van August Spermalie. Gust voor de vrienden. Pas na twee weken verdwenen de blauwe plekken op onze billen.

Het zeventiende meisje dat ik afbelde nam niet op. Net als alle zestien voor haar. Mijn leven heeft dringend nood aan een telefoonboek, dacht ik bij mezelf. Ik nam me voor om de volgende dag eerst en vooral naar de Hubo te fietsen om een koevoet te kopen. Daarmee zou ik de deur van mijn kelder wel open krijgen. Ergens heel ver en heel diep, onder stapels dag- en weekbladen, lag nog een telefoonboek uit 1996. Ik wist zeker dat het er lag. Ik zou het vinden en vol spanning naar pagina 778 bladeren. Daar, op de voorlaatste regel, zou het staan. Het telefoonnummer van mijn eerste lief. Zij zou mij nooit vergeten. Dat zei ze zelf.

vrijdag 24 juli 2015

wijsheid van de dag


het uur van de kikker

Ik heb al verschillende stenen verlegd in verschillende rivieren op aarde, maar geen enkele stroom ging een andere weg op. Tenzij natuurlijk die ene keer toen ik een betonblok loste in een derderangsbeekje in Erembodegem. Mijn vrachtwagen was te zwaar geladen, zei de rijkswacht. Het was lossen of een nachtje brommen. Bij de eerstvolgende verkiezingen werd de burgemeester zonder pardon weggestemd. Vele jaren later zag ik hem bieten planten in het park.

De jaren negentig vlogen voorbij als een zwerm honingbijen boven een bloemenweide: tergend traag. In 1992 gebeurde er niet veel in mijn dorp. Ik was tien en droomde van 1993. Ik vond dat een mooi getal. Mijn lievelingsgetal was echter nul. Dat rijmde op Hull. Elk jaar ging ik met mijn ouders en zussen naar Schotland. We namen dan de ferry van Zeebrugge naar Hull. Ik hield van Hull. Het rijmde op lul.

In 1996 was het eindelijk zover: mijn teddybeer stierf. Ik begroef hem tussen de brandnetels links van de mesthoop. Rechts van de mesthoop lag mijn waterpistool, zes voet onder de grond. Het was in 1994 ter ziele gegaan. Mijn grootmoeder huilde met me mee toen ze de ajuinen sneed. Ik keek haar aan en hoopte dat het snel 1995 zou worden. En inderdaad, enkele maanden later begon er een nieuw jaar. Zo ging dat in die tijd.

Nu zit ik hier te mijmeren over een godvergeten decennium. Ik kan evengoed wortels schrapen. Ik doe dat graag. Naast revoluties ontketenen, gevestigde orden omverwerpen en bootvluchtelingen redden, is wortels schrapen mijn grootste hobby. U ziet het, ik heb geen kiezels in rivieren nodig om bewijs van mijn bestaan te leveren. Ik schraap wortels dus ik ben. Ik schraap ze tot het bloed uit mijn vingers gutst. Ik hou van bloed. Het rijmt op bolhoed.

woensdag 24 juni 2015

het beloofde land

We wandelden door het beloofde land. Bachten de Kupe. Poperinge zien en sterven, zei ik voor de lol. Je kon er niet mee lachen. De laatste tijd lachte je niet om mijn grappen en grollen. Ik had duidelijk afgedaan. Met onze buurman lachte je wel. Die had een baard en een dikke bmw.

Cry me a river, zong ik zacht in je oren. Een beekje is ook al goed. Of een jeneverglaasje. Desnoods met wat snot erbij. Misschien heb je wel een verkoudheid, dan gaat het vanzelf. Op VIJF speelt een romantische film; laat ons samen kijken en huilen wanneer de smoorverliefde hoofdrolspelers elkaar na drie minuten al moeten verlaten. Romeo en Juliet, maar dan met een happy end, zoals wij, ooit.

Na de crash was je niet meer dezelfde. Je was halfdood en nog niet begraven, maar dat zou niet lang meer duren. De begrafenisondernemer nam je maten op. D-cup, probeerde ik nog voor de lol, maar hij kon er niet mee lachen. Of misschien wel, mocht hij geen oordoppen in z'n oren hebben. De boom waar we tegenaan sloegen staat er quasi ongeschonden bij. Onze lievelingseik. Daaronder gaf je mij voor het eerst een kus.

dinsdag 19 mei 2015

geile pony

De Afrikaan die mijn afwas doet, heeft een verleden. Hij weigert de trap te stofzuigen, dus ik vermoed dat hij ooit in een trappenfabriek werd uitgebuit door een louche Chinees. Of hij moet niet weten van mijn Dyson DC33c Origin. Al moet ik zeggen dat mijn Dyson echt wel elk stofje opzuigt. Fantastische bakje, mijn Dyson DC33c.

Ik geef mijn Afrikaan een koffie verkeerd. Hij roert erin met een vork. Ik lach mijn tanden bloot. Een vork is niet om te roeren, goede vriend. Een vork dient om te prikken. Prik prik prik. Zijn bloed blijkt donkerder dan Heinz Tomato Ketchup. Niet morsen, vriend, mijn Dyson kan niet tegen vocht. Hij excuseert zich eenmaal, andermaal, verkocht.

Ik toon hoe goed ik hinniken kan. Net een geile pony. Ik spring op en neer. Het parket kraakt onder mijn hoeven. Je kleedt me uit. Je wast me. Je poetst mijn tanden. Nog één verhaaltje en dan flink slapen hoor. Het is te donker. Ik doe mijn lampje aan. Een elfje vliegt de kamer binnen, stralend, vol liefde. Geruisloos neem ik mijn vliegenmepper.

dinsdag 12 mei 2015

het volk

We moesten optreden in Zelzate, parel aan de Belgisch-Nederlandse grens. Eerst raakten we de weg kwijt. We bleven rondjes rijden tussen fabrieken, troepjes communisten en een kanaal. Uiteindelijk vonden we toch de plek waar we verwacht werden: het Dageraadplein aan de salafistische kerk. Er was geen kat. In een verre hoek, onder een linde, stonden twee priesters elkaar af te trekken. We deden de koffer van onze Nissan Micra open en merkten dat we onze instrumenten niet mee hadden. Gelukkig maar. We hadden nooit gerepeteerd, speelden zelfs geen enkel instrument. Wie had ons eigenlijk geboekt? We bestonden niet, hadden geen manager of Facebookpagina.

We reden door naar Kemzeke. Het was er zonnig. Bij de eerste grote eik sloegen we linksaf. Na het derde kapelletje nogmaals linksaf. Dan rechtdoor, secondelang, tot we aan het grote podium kwamen. Wat een prachtig podium, zeiden we tegen een passant. Het is de main stage, antwoordde hij bitsig. Zijn hond piste tegen een lantaarnpaal. Is dat de main pole waar uw hond tegen pist, vroegen we grinnikend. De passant zocht een antwoord, maar onze aandacht was al drie minuten elders. De zon verdween achter een wolk. Het volk begon te morren. We schraapten onze keel, de micro's werkten perfect.

Het was niet gemakkelijk om je achter te laten. Je sliep zo vredig, zo diep. Alsof er niets aan de hand was. Mijn trui was je kussen. Ik wou je nog een brief schrijven, maar mijn stylo was leeg en ik vond geen papiertje in je handtas. Er zat wel kauwgom in. Zou nog van pas komen. De weg was nog lang.

zaterdag 9 mei 2015

Hotel Turkmenistan

Die avond in Turkmenistan hadden we voor het eerst ruzie. Je schold mij niet uit, ik gaf jou geen klap, maar we waren kil en afstandelijk. Als we al spraken, was het over banaliteiten. Zaken die er langs geen kanten toe deden. Maar meestal waren we stil en keken elk een andere kant op. Ik naar het water, jij naar de grijze woonblokken. Na twee uur wandelen kwamen we terug bij ons hotel aan.

Ik had jou nooit eeuwige trouw beloofd in goede en kwade dagen. Laat staan bij ziekte, dood, kilte of afstandelijkheid. Toen de burgemeester mij de vraag stelde, knikte ik kort. Het kon evengoed een spastisch trekje geweest zijn. Mijn lippen bleven stijf op elkaar. In het trouwboekje zette ik een valse handtekening. Geen haan die ernaar kraaide.

Je was in slaap gevallen. Ik keek nog even naar tv - in Turkmenistan's Got Talent floot een krachtpatser de zevende van Beethoven met zijn anus - vooraleer ik de stad in trok. Ik wou de Turkmeense bevolking wel wat beter leren kennen. Ik stapte een sushibar binnen en praatte met het personeel. Ze hadden heimwee naar Tokio en stokjes van goede kwaliteit.

zaterdag 25 april 2015

lucifer

We liepen arm in arm, ik vol van mezelf, jij vol met mijn zaad. Onze haren wapperden in de wind. Het hoeveelste kind zou ik al verwekt hebben? Ik snapte de natuur niet volledig, maar één ding wist ik wel: eksters waren de Opel Corsa's van het vogeldom.

Een van mijn kinderen viel van de trap. Ik sleepte de trappenmaker voor de rechter. Mijn kind had recht op een morele schadevergoeding van tien miljard dollar. De rechter had een goeie linker, hij trapte mijn voorzet staalhard binnen. Alleen jammer dat hij mijn zelfgebakken taart niet lustte.

Ik drong bij je binnen, schalks en zelfvoldaan. Je zuchtte niet eens zo diep. Water of koffie, dat zou ik straks wel drinken. Fairtrade koffie, daar kan je van op aan. Zo hebben die boeren in Zuid-Amerika ook nog iets te eten. Ik pompte en ik pompte, er leek geen einde aan te komen. Een houtduif op de elektriciteitsdraad keek door het raam naar binnen.

Mijn grootmoeder belde onverwacht. Ze had haar gebit laten vallen en probeerde mij duidelijk te maken dat ik haar uit de nood moest helpen. Ik deed alsof ik haar niet verstond. Uit de boot schelpen, moe? Wat bedoel je daarmee, moe? De verbinding is heel slecht, ik ga ophangen, moe, daaag. Ik zag haar al door de living kruipen, een zweetdruppel op het voorhoofd, mijn naam op haar lippen.

We wuifden naar een passant. Het wandelpaadje was bijna overwoekerd. Nog enkele maanden en geen kat zou onze rust verstoren. Je vertelde over je vorige vriendjes. Ik kon hen allemaal de ogen uitsteken met een lucifer. Een briquet zou minder handig zijn, dat moest ik toegeven. Onze lach echode tussen de bomen, een merel vloog verschrikt weg. Kon het ons wat schelen.

maandag 23 maart 2015

het plein (werktitel)

Ik stapte het plein over. Een oude vrouw keek op noch om. Ze voederde een duif die koerde van geluk. Ik naderde een terras. Op een luifel stond Ricard geschilderd. Ik kreeg wel zin in een drankje. Ik ging zitten en bestelde een chocomelk.

Ik keek naar het plein. Een fontein spoot water in de lucht. Kinderen speelden met een bal. Toeristen stroomden toe, namen een kiekje en liepen weer weg. Een verfrissend windje stak op. Ik sloot mijn ogen, had genoeg gekeken. Ik viel in slaap.

Ik werd wakker. De avond was gevallen. Het plein was er nog, de fontein spoot nog steeds water in de lucht. De kinderen waren verdwenen. De oude vrouw zat op een bankje. Ook zij was in slaap gevallen. De duif trippelde rond haar benen. Ik stond op, stapte het plein over en wandelde een ander plein tegemoet.

dinsdag 10 maart 2015

rottend rijst

We stonden op, gingen naar beneden, dronken koffie. We liepen naar buiten, naar de regen, de wind, de modder. De boerderijen sliepen vredig. Ze droomden van mortel en keramiek. We lachten, we bulderden van het lachen, we huilden. We voelden ons eenzaam, voelden aan elkaar, we hadden seks in een paardenstal. We hadden laarzen aan, groene laarzen, glad en kil.

We keerden terug. Ons bed was opgemaakt. De lakens gewassen. Het nachtkastje afgestoft. De wekkerradio schreeuwde het uit. We waren jong en onvolmaakt. We waren het gepeupel, het volk in de straat. De wagens reden sneller en sneller. We struikelden het bos in. De laatste bomen kreunden zacht.

We wisten dat het ooit ging stoppen, dat de rijst zou rotten, net als onze tanden. We zouden honger krijgen en ruzie. We zouden elkaar aanraken, onzacht en met de vuisten. We zouden roemloos ten onder gaan, net als onze buren. Maar tot het zover was zouden we in elkaars ogen kijken, om ter langst zonder te knipperen.

vrijdag 20 februari 2015

strunt der liebe

Ik zocht in mijn amalgaam aan medeklinkers maar vond geen enkele die mijn gevoel perfect verletterde. Het was geen zof, geen kiv en ook geen pex. Ik vroeg de weg naar Amsterdam maar niemand kon het zodanig fluisteren dat ik de ogen sloot en droomde van de confituur die mijn grootmoeder nooit zelf maakte. Ze kocht een pot in de Aldi en lepelde de confituur in een andere pot. Een pot die er authentiek uitzag. De confituur smaakte altijd heerlijk. Al de rest trok op geen bal ginder, maar de confituur was om over naar huis te schrijven.

Mijn ouders ontvingen mijn brieven nooit. Ofwel hadden ze geen brievenbus, ofwel werkte de postbode nooit de dag dat ik een brief schreef, ofwel gooide mijn grootmoeder ze stiekem in de vuilnisbak. Het was geen slecht mens, mijn oma, maar dat zeg ik alleen maar omdat ik nog steeds bang ben dat ze achter mij staat met haar liniaal in de hand, ook al is ze al twintig jaar dood en begraven.

Haar graf ligt in Amsterdam. Ik zoek en ik zoek. Ik heb speciaal mijn voorhamer meegebracht om haar grafsteen aan gruzelementen te slaan. Plots besef ik dat ze gecremeerd is. Verast. In Lochristi. De ceremoniemeester had kromme krullen en een scheve neus. Hij slikte toen hij mij hoorde lachen. Ik bulderde de hele zaal bijeen. De zes aanwezigen keken streng mijn richting uit. Daarna aten ze croissants bij de vleet.

woensdag 4 februari 2015

de sint en de baard

De Sint likte mijn holbaard. Ik vroeg niet waarom. Het deed geen deugd maar wie was ik om de Sint tegen te houden. Hij stonk naar de mesthoop van nonkel Roger. Nonkel Roger was een fervent tuinier. Hij woonde op de vijfde verdieping van een appartement in Mortsel. Zijn terras mat twee bij drie meter. Te klein om patatten te planten, maar ruim voldoende om een mesthoop op te stockeren. Telkens ik bij hem ging spelen, moest ik mijn kaka bijhouden en op zijn mesthoop gooien. Zijn buren waren verdraagzame doppers, maar belden uiteindelijk toch de flikken, die met veel tegenzin zijn appartement kwamen ontruimen.

Ik dacht aan mijn jonge jaren. Aan mijn goede vriend Fred. Hij kwam van Aalst, maar zijn ouders hadden een buitenverblijf op tweehonderd meter van ons huis aan de Nederlandse grens. Nederland was toen nog een lichtend voorbeeld in Europa. Vooral Terneuzen, met al haar coffeeshops. Duizenden Fransen en Belgen trokken elk weekend naar dit stadje om er in alle rust high te worden. De douane in Zelzate klopte overuren om de ontspoorde jeugd een lesje te leren.

De Sint keek diep in mijn ogen. Ik stotterde toen ik hem de deur wees. Hij zag er moe en afgeleefd uit. Een eenzame oude man met tranen op de wangen. Hij wandelde naar zijn auto, een gele Toyota Yaris. Je zou voor minder huilen.

woensdag 21 januari 2015

licht stofje

Ik reed van Ertvelde naar Costa Rica, maar aan het eerste rondpunt raakte ik de weg kwijt. Ik stapte uit en vroeg aan een plaatselijke landbouwer of hij de minst filegevoelige route naar de Atlantische Oceaan kende. De boer tuurde naar een windmolen in de verte. Een mengeling van tabak en speeksel sijpelde uit zijn mond toen hij sprak. Zelf was hij nog nooit buiten Ertvelde geweest - behalve die ene keer toen een suikerbiet uit zijn tractor viel en op het grondgebied van Assenede rolde - maar zijn duiven vlogen wekelijks door heel Europa. Zij konden mij met alle gemak de juiste weg wijzen.

Ik haalde net mijn portefeuille boven om zijn beste duif te kopen, toen een van zijn dochters thuiskwam. Ze had blauwe ogen, lang blond haar en grote borsten. Haar glimlach was fenomenaal, haar benen eindeloos. Haar kont zag er tegelijkertijd strak en mals uit. Ze keek mij aan en vroeg of ze mij ergens mee van dienst kon zijn. Euh ja, stamelde ik, ik ben de weg kwijt. En hoe graag wil ik je borsten vastnemen en er eens goed mee schudden, dacht ik erbij.

Niet veel later reden we samen op de Autoroute du Soleil, onze haren wapperden in de wind. We stopten aan een tankstation en aten een croissant. We lachten met een dikke Duitser, een luidruchtige Hollander en een achterlijke Vlaams-nationalist. Spanje was een droom. Lege snelwegen, verlaten dorpen. Voor we het wisten stonden we op een berg in Portugal te kussen alsof ons leven ervan afhing. We konden de oceaan al ruiken. Je adem kriebelde in mijn hals. De horizon trilde, of was het mijn lijf? Je gaf me jouw trui. Ik zag je tepels door je t-shirt. Licht stofje, zeker in de H&M gekocht. In volmaakt Ertvelds vroeg je of ik een kind van je wilde. Nee bitch waren wel de laatste woorden die op mijn tong lagen.

zondag 18 januari 2015

de salade der dingen

Mijn bindingsangst verdween meteen toen ik jou zag. Ik haalde mijn paternoster boven en zwaaide ermee naar alle kindjes in de buurt. Hun ouders keken de verkeerde kant op. Mijn leven slenterde verder. Even bleef ik hangen bij een Nigeriaanse die haar diensten aanbood, maar na vijf minuten was ook dat verleden tijd.

Je zei dat liefde een wonderlijk iets was. Ja oké, antwoordde ik, maar salade is ook niet te onderschatten. Ik voelde dat onze wegen bijna zouden scheiden. Je was te goed voor mij. Te diepzinnig ook. Ik leefde van dag tot dag, van a naar b, van vrouw tot vrouw. Jij stond stil bij de dingen, zocht naar de kern van de zaak, krabde geduldig aan alle eeltlagen tot enkel de waarheid overbleef.

Wat als je al mijn eeltlagen had weggewerkt? Zou je mijn waarheid onder ogen durven komen? Zou je aanvaarden dat het dit maar was? Dat ik mijn hele leven, mijn volledige doen en laten, mijn verleden en mijn toekomst volledig afstemde op Jaak Pijpen? Zou je mijn blinde adoratie weglachen? Of zou je verder krabben tot je uitgeput en sprakeloos in mijn armen valt en ik je zachtjes toefluister dat salade echt wel lekker kan zijn?

wijsheid van de dag


zondag 28 december 2014

was je maar, hier

Ik wandelde, op zoek naar reebok. De bossen verlangden naar de herfst. Mijn moeder belde op mijn gsm. Of ik straks een bruin brood gesneden kon meenemen. Van bij de bakker op de hoek? Nee, van bij de bakker op het plein.

Het plein zag zwart van de auto's. Eén autootje was knalgeel. Een vrouw stapte uit. Ze keek mij aan, ik bloosde. Haar lach was vergevingsgezind. Ik vroeg of ze ook een brood wou. Nee, zei ze, ik ben op zoek naar reebok.

We staarden naar de horizon. De skyline van Zelzate lag er prachtig bij. De fabrieken rustten nooit. Net als wij. Wij stopten pas als alle rozijnen opgegeten waren. Dat ging sneller dan verwacht. Tegen valavond waren we al weer thuis. De afwas blonk onze kant op. Jouw beurt pot verlost, riep ik razendsnel.

woensdag 17 december 2014

de legende van bart de wever

'Ga je nog eens de legende van Bart De Wever vertellen, opa?' vroeg Franske in het voorjaar van 2146 aan zijn grootvader. 'Maar je hebt dat verhaal al zeker honderd keer gehoord,' zei opa. 'Ja, maar het is zo schoon. Please?' Franske zette zijn beste puppyface op. Opa zuchtte diep. 'Oké dan, ventje.'

'Er was eens, meer dan 130 jaar geleden, een dikke man die de macht greep in het donkere Vlaanderen. Het waren tijden van ontsporende beurzen, crashende banken, toenemende ongelijkheid en ultraliberale dogma's. Na de middeleeuwen, de renaissance, de Verlichting en de nieuwste tijd zou dit tijdperk achteraf de naam 'postmoderne middeleeuwen' krijgen. Die man was oorspronkelijk heel dik en Vlaamsgezind, maar na een tijd werd hij heel mager en Thatcheriaans. Zijn naam was Bart De Wever.

Bart De Wever was burgemeester van de havengemeente Antwerpen, dat toen nog niet onder water lag. In plaats van die plek resoluut in de 21ste eeuw te trekken en met vooruitziende, ecologische projecten een internationale pioniersrol op te nemen, gaf hij alle macht aan koning auto en keizer ondernemer. Na enkele jaren was het inwonersaantal gehalveerd en de ongelukkigen die niet verhuisden, stierven uiteindelijk door luchtvervuiling of politieknuppels.

Maar wat hij met het toenmalige Vlaanderen en België deed, was van een nog erger kaliber. Oké, de meeste mensen hadden op hem gestemd, hij was dus democratisch aan de macht gekomen. Maar eigenlijk was dat niet zo moeilijk. Hij was de beste orator van zijn generatie, hij was intelligent en ad rem. Hij won elk debat. Wat wil je? Zijn concurrenten waren de laagvliegers van hun generatie. Zowel aan linker- als rechterzijde stonden gedurende jaren prutsers aan het roer. Stel dat die Bart De Wever geen rechtse nationalist was maar een groene communist, de hele meute zou groenlinks gestemd hebben. Het zou echter nog een paar decennia duren vooraleer de juiste mensen opstonden en een echt alternatief discours ontwikkelden, dat de basis vormde voor de wereldwijde less is more maatschappij waar we nu in leven.

Maar in tussentijd had het voormalige zwaargewicht vrij spel in het land dat hij wilde opblazen. Hij speelde het slim: hij bleef braafjes burgemeester van zijn dorp, een Franstalige liberaal was officieel de leider van het land. Maar iedereen, zelfs de caissières van de Aldi, wisten dat Bart De Wever alle touwtjes in handen hield. Hij bepaalde wat, waar, wanneer, wie en hoe. De besparingen die hij oplegde, troffen iedereen behalve de rijke ondernemers. Zij ontsprongen de dans. Bart De Wever was de DJ.

Er waren stakingen en betogingen, het ging van kwaad naar erger. De toenmalige regering wilde van geen plooien weten. Water bij de wijn, dat kenden ze niet. Ze marcheerden stug door, blindelings hun grote leider volgend. Ze walsten alle hoop plat. Ze wilden rijkdom creëren, maar negeerden daarbij de belangrijkste factoren voor een rijke samenleving: geloof in de toekomst, solidariteit, warmte. De daling van de koopkracht die ze zelf bewerkstelligden, zorgde voor een neerwaartse spiraal en een steeds armer land. De rijke ondernemers en industriëlen hadden dit al snel door en trokken naar het buitenland, waardoor Bart De Wever overbleef met dat deel van het plebs waar hij zijn neus voor optrok: de gewone man.

Maar natuurlijk kon hem dit au fond weinig schelen. Zijn doel was namelijk van Vlaanderen een onafhankelijke republiek maken, met Antwerpen als hoofdstad en hijzelf als president. Hij wilde bewijzen dat het project België een eeuwenoude nachtmerrie was en dat het gemakkelijk in een droom kon veranderen: splitsen die handel. Naar een onafhankelijk Vlaanderen - waar iedereen Vlaams sprak - zouden de investeerders wel snel terugkomen. Dus hoe sneller het oude België bergaf ging, hoe beter. De slachtoffers die ondertussen zouden vallen, waren collateral damage. Het doel heiligt de middelen.

Bart De Wever was echter één ding vergeten: het gewone volk, dat aanvankelijk massaal op hem gestemd had, was toch niet zo dom als het eruit zag. Bij de eerstvolgende verkiezingen stemde het op alle partijen die geen N-VA heetten. De regering die vervolgens gevormd werd maakte er ook een potje van, maar geleidelijk aan herstelde het land en groeide het geloof in een echte toekomst. En plots stonden ook de juiste visionaire politici op, die onze regio omvormden van Meli naar Plopsaland.'

'Plopsaland, joepie!' riep Franske en vredig viel hij in een diepe slaap.

zaterdag 29 november 2014

platte kaas

Ik droomde dat de Aveve gesloten was. Ik had net mijn camionette geparkeerd, voor de helft op het trottoir. Het winkelkarretje aanvaardde enkel 1 of 2 euro. Geen vijftig cent. Ik was terug naar mijn camionette gegaan, had alles overhoop gegooid, uiteindelijk een euro gevonden onder de handrem. Terug bij de winkel gleden de automatische deuren niet open. Ik dacht aan een defect maar toen zag ik binnen geen enkel licht branden en geen enkele medewerker in groene tenue die vriendelijk probeerde te lachen. Het was nochtans woensdagnamiddag, de JBC aan de overkant deed gouden zaken.

Ik schrok wakker. De hond van de buren blafte. Ik keek door het raam en zag twee katers vechten. Een streep maan hing achteloos in een hoek van de hemel. Ik ging naar beneden, zette koffie. Op tv interviewde Lieven Verstraete voor de vijfde keer de omhooggevallen politicus van de dag. Het ging over indexen, vermogens en platte kaas. Ik nam een slok en dacht aan Walter Godefroot. Hoe die man in 1967 Nokere Koerse won: respect.

Je vroeg wat ik aan het doen was. Je nachtkleed was licht doorzichtig, je tepels zacht en vredevol. Ik zei dat ik aan Walter Godefroot stond te denken nadat een droom over de Aveve mij wakker gemaakt had. Je glimlachte en ging terug naar boven. Wat had ik zin in jou. Ik hield je bijna tegen om je borsten te kussen, maar wist dat je morgen vroeg op moest. Ik plofte neer in de zetel en besefte te laat dat ik de zapper nog niet bij me had.

maandag 24 november 2014

ergens tussenin

Mijn plannen om een volgende nationale betoging eens in een onnozel gehucht in plaats van in Brussel te organiseren, kregen vorm in Zwevezele. Ik had een zwak voor dergelijke plekken. Ze waren lelijk en troosteloos, zeker als het wolkendek zo dik was dat het leek alsof het de hele dag schemerde. Maar ik voelde me er goed. Hoe zieliger het dorp, hoe vrijer mijn gemoed.

Ik zat met mijn vrouw en kinderen in de goedkope gezinswagen. We stopten bij Slagerij het Serpent. We kochten vijf bouletten en een kwart kilo préparé. Mijn vrouw sprak West-Vlaams dus zij voerde het woord. Het Serpent vertelde over haar nonkel die op zijn sterfbed lag. Mijn vrouw knikte en betaalde, ik keek naar een dode kip.

Zouden we picknicken op het kerkhof of in een bushokje? Het werd ergens tussenin. De jongste at een volledige boulet. De middelste gooide steentjes naar een vuilbak. De oudste neuriede de hele tijd. Een vrachtwagen van H. Essers denderde over de kasseien. Het beloofde een mooie dag te worden.