Er viel niet veel te vertellen. Ik zag haar zoeken naar woorden. Iets zinnigs of iets banaals, het maakte al lang niet meer uit. Zolang deze stilte maar doorbroken werd. Na een lange tijd staren naar de ons omringende koppels veerde ze plotseling recht. Dat had ik niet verwacht. Nu had ze mij zuiver. Ik wist meteen dat dit geen handschoen was om zonder muts aan te pakken. En sjaal. Zelfgebreid. Door mémé zaliger. Erfstuk. Mooie herinneringen. Veel te laat gestorven.
Al sinds haar zestigste hoopte ik dat ze er het loodje bij zou neerleggen. Maar nee, ze bleef leven. En breien. Tonnen sjaals en mutsen kreeg ik 's zondags mee naar huis. Toen ze eindelijk stierf heb ik al die prikkende kloteboel naar Afrika gestuurd, die konden dat goed gebruiken. Mijn lievelingssjaal hield ik over: die van SV Zulte Waregem, hoogstpersoonlijk gekregen van Willy Naessens.
Ze ging weer zitten. Keek mij megadiep aan. Ik moest kuchen. Ze gaf mij een keelpastille. Ik gooide het pilletje in de lucht en liet het volmaakt in mijn open mond vallen. Ik vroeg haar of ze met mij naar bed wou. Ze zei niet nee. Ik bloosde van geluk. Samen stapten we door het dorp. Bij het kerkhof viel mijn frank. Voor deze vrouw zou ik sterven.
zaterdag 17 mei 2014
zaterdag 19 april 2014
het kanaal
Weer geen enkele vis gevangen vandaag. Zal toch een ander plekje moeten zoeken. Het kanaal is niet meer wat het ooit geweest is. Vroeger ving ik snoeken, baarzen, karpers, meervallen en brasems bij de vleet. Het hele dorp keek naar mij op. Ik won de ene prijs na de andere. Ik leerde mijn vrouw kennen op de jaarlijkse visvierdaagse van Oosteeklo. Ik stond op het hoogste schavot, nam een daverend applaus in ontvangst, zag haar staan bij de frigo's. De manier waarop ze naar de diepgevroren kabeljauw keek, raakte mij diep. Ik stapte op haar af en begon over de verraderlijke stromingen bij hoogtij. Twee uur later lagen we uitgeput in bed.
Zou een nieuwe hengel soelaas bieden? Een meer gesofisticeerd ophaalsysteem? Genetisch gemanipuleerde wormen met extra vitaminen en mineralen? Ik weet het niet. Vroeger wist ik alles, twijfelde ik nooit. Nu durf ik met moeite een zebrapad over te steken. Auto's vertragen, chauffeurs geven vriendelijk voorrang, maar nog sta ik te drentelen als een klein kind. Wanneer ik dan toch een been verzet, is de verkeersstroom al lang weer ingezet en keer ik terug van waar ik kom, meestal Café de Smos in de Kerrestraat.
Mijn vrouw geloofde al lang niet meer in mij. De eerste jaren was ik haar held, niets kon ik misdoen. Ik reisde de wereld rond, gaf demonstraties, lezingen, workshops. Ik werd gevraagd voor debatten, parlementaire commissies, radioprogramma's. Vanaf het woord vis viel, kwam ik op de proppen. Maar plots kwam de kentering en verloor ik mijn mojo. Jaar na jaar ging het bergaf. De top was zo hoog dat de val tergend lang duurde. Pas vorige week bereikte ik het dieptepunt: mijn vrouw verliet mij voor Jan de Mosselman. Ik gaf bijna over van verdriet. Van frustratie. Van zelfmedelijden. Ik nam mijn hengel en fietste naar mijn plekje aan het kanaal. Daarna leek Café de Smos mij een goede optie.
Zou een nieuwe hengel soelaas bieden? Een meer gesofisticeerd ophaalsysteem? Genetisch gemanipuleerde wormen met extra vitaminen en mineralen? Ik weet het niet. Vroeger wist ik alles, twijfelde ik nooit. Nu durf ik met moeite een zebrapad over te steken. Auto's vertragen, chauffeurs geven vriendelijk voorrang, maar nog sta ik te drentelen als een klein kind. Wanneer ik dan toch een been verzet, is de verkeersstroom al lang weer ingezet en keer ik terug van waar ik kom, meestal Café de Smos in de Kerrestraat.
Mijn vrouw geloofde al lang niet meer in mij. De eerste jaren was ik haar held, niets kon ik misdoen. Ik reisde de wereld rond, gaf demonstraties, lezingen, workshops. Ik werd gevraagd voor debatten, parlementaire commissies, radioprogramma's. Vanaf het woord vis viel, kwam ik op de proppen. Maar plots kwam de kentering en verloor ik mijn mojo. Jaar na jaar ging het bergaf. De top was zo hoog dat de val tergend lang duurde. Pas vorige week bereikte ik het dieptepunt: mijn vrouw verliet mij voor Jan de Mosselman. Ik gaf bijna over van verdriet. Van frustratie. Van zelfmedelijden. Ik nam mijn hengel en fietste naar mijn plekje aan het kanaal. Daarna leek Café de Smos mij een goede optie.
vrijdag 4 april 2014
schoendoos
Ik stond op de dansvloer, nog niet zat genoeg om zonder schaamte mijn heupen te bewegen. Ik voelde dat iedereen mij aankeek: de vrouwen, de mannen, Jani Kazaltzis. Deze laatste stapte op mij toe en zei dat ik dringend wat meer zelfvertrouwen moest kweken. Ik zei dat het wel snor zat met mijn zelfvertrouwen, behalve dan op een dansvloer met te weinig alcohol in mijn bloed. Hij draaide zijn ogen tot ver boven de ironiegrens en wees al lachend naar mijn kleren. Ik gaf hem een dreun op zijn neus en verliet onder luid gejuich de parochiezaal van Scheldewindeke.
De volgende dag wist ik geen blijf met mezelf. Zou ik naar de slager gaan? Naar de grasmachinewinkel? Of zou ik de hele dag op zolder foto's bekijken van ex-lieven in erotische houdingen? Ja, dat kon nog eens leuk worden. Ik opende het zolderluik, ik knipte het licht aan, ik nam de vijfendertig schoendozen met foto's. Beneden werd er aan de deur geklopt. Ik kroop weer door het zolderluik, stapte de trap af, opende de voordeur. Een vrouw vroeg of ik drie balpennen wou kopen ten voordele van het kinderkankerfonds in Bulgarije. Het kostte maar 15 euro. Ik vroeg of ze kon bewijzen dat het geld effectief naar het kinderkankerfonds van Bulgarije zou gaan. Dat kon ze niet. Ik lachte minzaam, zoals steeds.
Terug binnen had ik plots zin om de was op te hangen. Helaas was er geen was om op te hangen. Ik ging naar de buren en vroeg of zij geen was hadden die opgehangen moest worden. Ja, dat hadden ze. Ze hadden zelfs aardbeien die dringend opgegeten moesten worden. Dat ging mij toch een stap te ver. Minzaam lachend keerde ik huiswaarts. Mijn vrouw en kinderen waren ondertussen daar. Ik omhelsde hen innig. Naast mijn vijfendertig schoendozen waren zij tenslotte mijn enige reden van bestaan.
De volgende dag wist ik geen blijf met mezelf. Zou ik naar de slager gaan? Naar de grasmachinewinkel? Of zou ik de hele dag op zolder foto's bekijken van ex-lieven in erotische houdingen? Ja, dat kon nog eens leuk worden. Ik opende het zolderluik, ik knipte het licht aan, ik nam de vijfendertig schoendozen met foto's. Beneden werd er aan de deur geklopt. Ik kroop weer door het zolderluik, stapte de trap af, opende de voordeur. Een vrouw vroeg of ik drie balpennen wou kopen ten voordele van het kinderkankerfonds in Bulgarije. Het kostte maar 15 euro. Ik vroeg of ze kon bewijzen dat het geld effectief naar het kinderkankerfonds van Bulgarije zou gaan. Dat kon ze niet. Ik lachte minzaam, zoals steeds.
Terug binnen had ik plots zin om de was op te hangen. Helaas was er geen was om op te hangen. Ik ging naar de buren en vroeg of zij geen was hadden die opgehangen moest worden. Ja, dat hadden ze. Ze hadden zelfs aardbeien die dringend opgegeten moesten worden. Dat ging mij toch een stap te ver. Minzaam lachend keerde ik huiswaarts. Mijn vrouw en kinderen waren ondertussen daar. Ik omhelsde hen innig. Naast mijn vijfendertig schoendozen waren zij tenslotte mijn enige reden van bestaan.
woensdag 2 april 2014
merendree
Ik peinsde er niet aan om de wafelenbak helemaal alleen te organiseren. Ik belde mijn grootmoeder op en vroeg of zij geen zin had om drieduizend wafels te bakken tegen overmorgen. Ik hoorde haar knikken door de telefoon. Het mens knikte altijd. Ze lag te verkommeren in rusthuis De Verwaarlozing in Merendree. Met zo'n naam had ik beter kunnen weten.
Ik stapte op mijn Vespa en reed via Winterslag naar Merendree. Het was een prachtige route. De zon scheen, de vogels floten, honden likten gretig aan hun eigen ballen. Ik dacht aan mijn jeugd in Knokke-Heist: woest, geil, ongenadig. Mijn egotripperij staat daar nog steeds in de straatstenen gebeiteld. Nu nog houden de plaatselijke wijven hun adem in als ze mijn ouderlijk huis passeren.
Merendree was grootser dan ooit. Eigenzinnig, toekomstgericht. Ik werd er emotioneel van. Mijn tranen zweefden over het volmaakte asfalt. Daar was het rusthuis al. Ik rook de eenzaamheid. Mijn grootmoeder lag op de achtste verdieping. Het personeel hield een feestje in de kelder. Ik fuifde even mee, dronk een whisky of zes. Tegen middernacht kroop ik naar boven, naar de vrouw die mij leerde breien. Ik hield haar hand vast, de hele nacht.
Ik stapte op mijn Vespa en reed via Winterslag naar Merendree. Het was een prachtige route. De zon scheen, de vogels floten, honden likten gretig aan hun eigen ballen. Ik dacht aan mijn jeugd in Knokke-Heist: woest, geil, ongenadig. Mijn egotripperij staat daar nog steeds in de straatstenen gebeiteld. Nu nog houden de plaatselijke wijven hun adem in als ze mijn ouderlijk huis passeren.
Merendree was grootser dan ooit. Eigenzinnig, toekomstgericht. Ik werd er emotioneel van. Mijn tranen zweefden over het volmaakte asfalt. Daar was het rusthuis al. Ik rook de eenzaamheid. Mijn grootmoeder lag op de achtste verdieping. Het personeel hield een feestje in de kelder. Ik fuifde even mee, dronk een whisky of zes. Tegen middernacht kroop ik naar boven, naar de vrouw die mij leerde breien. Ik hield haar hand vast, de hele nacht.
zondag 22 juli 2012
sandra
Nee, ik kende je niet erg goed. Maar ik wist dat je ziek was. Dat je ging sterven, ooit, net als iedereen. Je was de mama van een klasgenoot van mijn dochter. Je hield je sterk en bleef geloven in een goede afloop.
Je was enorm vermagerd, ziek van de chemo. Je man vermagerde mee. Je zoon ging naar school en haalde kattenkwaad uit, net als alle jongens van die leeftijd. Mijn dochter kwam vaak thuis met de boodschap dat hij haar geplaagd had. Maar eigenlijk vond ze het wel leuk, die negatieve aandacht.
Het ergste vond je dat je zoon je niet zou herinneren als jij er niet meer was. Dat je zou vervagen tot een foto of een filmpje, zoals een verre tante of overgrootmoeder die hij nooit gekend heeft. Maar neem van mij aan: je zal altijd bij hem zijn. Of hij het nu wil of niet.
Je zal bij veel mensen blijven. Je was levendig, vol energie, een vechter, een dromer. Ik kan mij voorstellen dat je een heerlijke partner was. Goed in bed, fijn op reis, weinig kans op sleur. Kookte je graag? Ik weet het niet.
Je laat een enorme indruk na. Je had nog zo veel te doen. Jullie hadden nog zo veel te doen. Sterven is nooit leuk, maar nu al, zo vroeg? Het is een cliché, maar het is echt niet eerlijk.
Ik hoor dat je met een glimlach bent heengegaan. Prachtig hoe je man dit als laatste beeld mag meenemen. Waarschijnlijk lach je nu ook ergens, verlost van de pijn, met een gerust gemoed. Wetend dat alles goed komt. Dat Joben de wereld zal veranderen. Dat Jean-Marc je liefde voor eeuwig zal koesteren.
Zachte groet
maarten
Je was enorm vermagerd, ziek van de chemo. Je man vermagerde mee. Je zoon ging naar school en haalde kattenkwaad uit, net als alle jongens van die leeftijd. Mijn dochter kwam vaak thuis met de boodschap dat hij haar geplaagd had. Maar eigenlijk vond ze het wel leuk, die negatieve aandacht.
Het ergste vond je dat je zoon je niet zou herinneren als jij er niet meer was. Dat je zou vervagen tot een foto of een filmpje, zoals een verre tante of overgrootmoeder die hij nooit gekend heeft. Maar neem van mij aan: je zal altijd bij hem zijn. Of hij het nu wil of niet.
Je zal bij veel mensen blijven. Je was levendig, vol energie, een vechter, een dromer. Ik kan mij voorstellen dat je een heerlijke partner was. Goed in bed, fijn op reis, weinig kans op sleur. Kookte je graag? Ik weet het niet.
Je laat een enorme indruk na. Je had nog zo veel te doen. Jullie hadden nog zo veel te doen. Sterven is nooit leuk, maar nu al, zo vroeg? Het is een cliché, maar het is echt niet eerlijk.
Ik hoor dat je met een glimlach bent heengegaan. Prachtig hoe je man dit als laatste beeld mag meenemen. Waarschijnlijk lach je nu ook ergens, verlost van de pijn, met een gerust gemoed. Wetend dat alles goed komt. Dat Joben de wereld zal veranderen. Dat Jean-Marc je liefde voor eeuwig zal koesteren.
Zachte groet
maarten
dinsdag 5 juni 2012
de wereld (die welt)
Ik ben de wereld. De molshopen in mijn tuin. De wereldreizen die ik nooit zal maken. Spaghetti bolognaise met krampen als gevolg. Ik ben Turkije, algebra, Obama met tandpijn.
Ik ben de slechtste reclame ooit, die van Jetair, met die twee etters van kinderen. Ik ben Walter Capiau, Frank Deboosere, Bart De Fucking Wever. Ik ben de onopvallende decolleté van vrouwen die niet beseffen dat ze prachtige borsten hebben. De grasmachine van de buren, een geeuw die langer mag duren.
Ik ben de ontbossing, de uitlaatgassen, de overbevolking, de goedkoopste tuinslang uit de Aveve. De Nopri van vroeger. De bio-time producten uit de Colruyt. Dreamland waar kinderen hysterisch huilen omdat ze niet weten wat te kiezen. Ikea waar mannen verdwaasd achter hun vrouw aansloffen. Verse basilicum op tomaten, met een heerlijk vinaigrettesausje, zelf gemaakt, met honing en mosterd.
Ik ben Suske en Wiske, Roodkapje, Pippi Langkous. Walter Van Beirendonck, huilend bij zijn moeder. Ik ben zijn moeder, vrezend voor dementie. Ik ben de regen, de roltrappen van de Inno. Of van de metro in Londen. Ik ben de hoeren van Brussel-Noord. De orang-oetangs van de Zoo in Antwerpen. De pony hier in de weide naast mijn huis, met zijn megagrote lul.
Ik ben het, de man zonder boodschap, zonder enige clou. Zonder verhaal, zonder begin en zonder einde.
Ik ben de slechtste reclame ooit, die van Jetair, met die twee etters van kinderen. Ik ben Walter Capiau, Frank Deboosere, Bart De Fucking Wever. Ik ben de onopvallende decolleté van vrouwen die niet beseffen dat ze prachtige borsten hebben. De grasmachine van de buren, een geeuw die langer mag duren.
Ik ben de ontbossing, de uitlaatgassen, de overbevolking, de goedkoopste tuinslang uit de Aveve. De Nopri van vroeger. De bio-time producten uit de Colruyt. Dreamland waar kinderen hysterisch huilen omdat ze niet weten wat te kiezen. Ikea waar mannen verdwaasd achter hun vrouw aansloffen. Verse basilicum op tomaten, met een heerlijk vinaigrettesausje, zelf gemaakt, met honing en mosterd.
Ik ben Suske en Wiske, Roodkapje, Pippi Langkous. Walter Van Beirendonck, huilend bij zijn moeder. Ik ben zijn moeder, vrezend voor dementie. Ik ben de regen, de roltrappen van de Inno. Of van de metro in Londen. Ik ben de hoeren van Brussel-Noord. De orang-oetangs van de Zoo in Antwerpen. De pony hier in de weide naast mijn huis, met zijn megagrote lul.
Ik ben het, de man zonder boodschap, zonder enige clou. Zonder verhaal, zonder begin en zonder einde.
dinsdag 29 mei 2012
soep voor dummies
Het was een prachtige ochtend. De zon scheen, een zacht briesje streelde de boomtoppen, een kabbelend beekje meanderde rustig tussen boterbloemgele velden. Je ogen fonkelden nog feller dan de sterren die we afgelopen nacht arm in arm aanschouwden.
Ik fluisterde in je malse oren dat Bart De Wever fel vermagerd was de laatste tijd. Dat hij zeker veel stemmen zou verliezen, gewoon door het feit dat hij niet meer de onwaarschijnlijke dikzak was van vorig jaar. Vlamingen stemmen niet op magere populisten. Ze zijn hypocriet en dom, houden van de valse underdog, drogen hun tranen aan de zakdoek van hun overleden grootouders, wiens geld ze verbrassen aan weekendjes in Blankenberge, flatscreens, Audi A4's en deprimerende Ikeabezoekjes. Ze stinken naar ongewassen hond, verwaarlozen hun kinderen door hen alles te geven, dromen van darkrooms vol ongeschoren oksels en hijgende zeugen. Ze gaan vissen of kijken naar de voetbal, geven commentaar op alles en iedereen, zijn nooit tevreden, behalve als ze barbecueworsten vreten op kosten van de buren.
Je keek me aan met een blik vol walging. Je maakte aanstalten om mij te laten zitten, voor eeuwig en altijd, mij voorgoed aan de totale verloedering over te laten, mij terug naar mijn geboortedorp te bannen, tot aan mijn pensioen vastgekluisterd aan inteeltarbeiders en werkloze pseudo-invaliden. Maar je bleef staan.
Ik fluisterde in je malse oren dat Bart De Wever fel vermagerd was de laatste tijd. Dat hij zeker veel stemmen zou verliezen, gewoon door het feit dat hij niet meer de onwaarschijnlijke dikzak was van vorig jaar. Vlamingen stemmen niet op magere populisten. Ze zijn hypocriet en dom, houden van de valse underdog, drogen hun tranen aan de zakdoek van hun overleden grootouders, wiens geld ze verbrassen aan weekendjes in Blankenberge, flatscreens, Audi A4's en deprimerende Ikeabezoekjes. Ze stinken naar ongewassen hond, verwaarlozen hun kinderen door hen alles te geven, dromen van darkrooms vol ongeschoren oksels en hijgende zeugen. Ze gaan vissen of kijken naar de voetbal, geven commentaar op alles en iedereen, zijn nooit tevreden, behalve als ze barbecueworsten vreten op kosten van de buren.
Je keek me aan met een blik vol walging. Je maakte aanstalten om mij te laten zitten, voor eeuwig en altijd, mij voorgoed aan de totale verloedering over te laten, mij terug naar mijn geboortedorp te bannen, tot aan mijn pensioen vastgekluisterd aan inteeltarbeiders en werkloze pseudo-invaliden. Maar je bleef staan.
woensdag 2 mei 2012
de max
Ik wou dat ik honger had, zin in wiskunde, vrienden in Saudi-Arabië. Ik wou dat ik schapen had, blatend in de leegte, kauwend op hun tanden. Mocht ik blauwe ogen hebben, ik zou ermee staren naar Godfried Danneels.
Toen ik vorige week in Londen het gazon van de buurvrouw besproeide met overtollig sperma, moest ik denken aan een rusteloze avond in 1990. Er was een reusachtig onweer gaande ergens op de aardbol, muskieten vlogen driftig heen en weer, mijn mama keek naar het laatavondnieuws en zuchtte niet eens zo diep. Ik lag in bed en maakte mij zo klein als een tennisbal. Pete Sampras zou mij resoluut naar de ballenjongen teruggegooid hebben, zo klein was ik.
Een jongedame hield mij tegen. Ik glimlachte, voelde aan haar borsten en genoot van de regen. Ze vroeg of ik een witte paraplu had. Ik zweeg en keek de andere kant op. Een taxi gleed voorbij. Een snaterende eend vloog blindelings tegen de etalage van de Hema. Ik dacht aan de winter van 1992, toen het op een gegeven moment -5 graden vroor in Sint-Maria-Oudenhove. Zoals altijd dronk de plaatselijke bevolking vaten bier alsof het de laatste avond van hun leven was. Net voor sluitingsuur werd er aan de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt. Een uitgehongerde kip vroeg trillend op haar poten de weg naar het dichtstbijzijnde postkantoor.
Toen ik vorige week in Londen het gazon van de buurvrouw besproeide met overtollig sperma, moest ik denken aan een rusteloze avond in 1990. Er was een reusachtig onweer gaande ergens op de aardbol, muskieten vlogen driftig heen en weer, mijn mama keek naar het laatavondnieuws en zuchtte niet eens zo diep. Ik lag in bed en maakte mij zo klein als een tennisbal. Pete Sampras zou mij resoluut naar de ballenjongen teruggegooid hebben, zo klein was ik.
Een jongedame hield mij tegen. Ik glimlachte, voelde aan haar borsten en genoot van de regen. Ze vroeg of ik een witte paraplu had. Ik zweeg en keek de andere kant op. Een taxi gleed voorbij. Een snaterende eend vloog blindelings tegen de etalage van de Hema. Ik dacht aan de winter van 1992, toen het op een gegeven moment -5 graden vroor in Sint-Maria-Oudenhove. Zoals altijd dronk de plaatselijke bevolking vaten bier alsof het de laatste avond van hun leven was. Net voor sluitingsuur werd er aan de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt. Een uitgehongerde kip vroeg trillend op haar poten de weg naar het dichtstbijzijnde postkantoor.
maandag 16 april 2012
zeeman
Ik wacht op je. Al honderd jaar. Mijn mieren zijn allang dood. Ik gaf hen te eten en te drinken maar blijkbaar houden mieren niet van spruiten en koffie. In een vlaag van colère trapte ik hen allemaal zo plat als een vijg. Eén miertje liet ik leven. Hij stierf enkele weken later van eenzaamheid. Mijn verhaaltjes en kinderliedjes mochten niet baten.
Ik vond het erg, de dag dat hij stierf. Zijn begrafenis verliep heel sereen, bijna professioneel. Ik had mij dan ook goed voorbereid. De gasten waren tevreden, sommige huisvrouwen huilden. Ik hield mijn tranen tegen. Toon nooit je zwakheid, zei mijn grootvader telkens hij kermend van de pijn op de grond lag te rollen. Mijn grootmoeder was toen meestal een taart aan het bakken. Het mens dacht daarmee in de hemel te geraken.
Na de begrafenis liet ik een paar paarden vrij. Ze stonden al lang genoeg te grazen in die veel te kleine wei. Dolgelukkig galoppeerden ze uit het zicht. De horizon schrikte even op, maar keerde snel terug tot haar standaardvorm: een troosteloze streep met uitlaatgassen en overijverige lintbebouwing. Ik wachtte nog even. Op de kerktoren zaten zeventien kauwen. Ik hield van je, al honderd jaar.
Ik vond het erg, de dag dat hij stierf. Zijn begrafenis verliep heel sereen, bijna professioneel. Ik had mij dan ook goed voorbereid. De gasten waren tevreden, sommige huisvrouwen huilden. Ik hield mijn tranen tegen. Toon nooit je zwakheid, zei mijn grootvader telkens hij kermend van de pijn op de grond lag te rollen. Mijn grootmoeder was toen meestal een taart aan het bakken. Het mens dacht daarmee in de hemel te geraken.
Na de begrafenis liet ik een paar paarden vrij. Ze stonden al lang genoeg te grazen in die veel te kleine wei. Dolgelukkig galoppeerden ze uit het zicht. De horizon schrikte even op, maar keerde snel terug tot haar standaardvorm: een troosteloze streep met uitlaatgassen en overijverige lintbebouwing. Ik wachtte nog even. Op de kerktoren zaten zeventien kauwen. Ik hield van je, al honderd jaar.
vrijdag 9 maart 2012
kwispel
Ik stap elke avond over een beek en kijk omhoog naar de wolken. Ik denk dan na over Jezus. Zijn kruis, zijn ingewanden, zijn holbaard. Ik huil soms. Van verdriet of totale leegte. Van zinloosheid of diepe pijn. Pijn aan de ballen of aan de neus. Mijn ballen hebben hun werk al gedaan. Ik heb twee kinderen. Een dochter en een zoon. Prachtkinderen, wonderen der natuur. Lief en zorgzaam. Goed opgevoed.
Hun mama, mijn vriendin, wordt in augustus mijn vrouw. Waarom trouwen jullie eigenlijk, vroeg haar moeder onlangs. Ik stond even met mijn mond vol tanden. Van mijn schoonmoeder had ik zo'n vraag niet verwacht. Wat moest ik antwoorden? Omdat we elkaar graag zien? Omdat we onze liefde willen delen met al wie ons dierbaar is? Omdat mijn zussen ook al getrouwd zijn en er massa's geld aan overgehouden hebben?
Mijn zussen, wie zal hen redden? Hun echtgenoten zijn vooral met hun carrière bezig. Hun vader is bezeten door biljart. Hun moeder heeft meer last van kwaaltjes dan van haar biljartende man. Hun vrienden zijn op één hand te tellen. En ik, ik sta er ook maar bij en kijk ernaar. Ben ik een waardige broer? Vriend? Zoon? Man? Papa?
Natuurlijk, denk ik dan bij mezelf, starend naar de maan die door de wolken schijnt. Ik ben fantastisch. De coolste man die ik ken. Altijd paraat om iemand uit de nood te helpen, te troosten of goede raad te geven. Bij mij kan je je diepste geheimen kwijt en je meest banale gedachtegangen. Bij mij kan je thee krijgen, koffie of gin-tonic. Ik ben Maarten, hier aan de beek. Je herkent me aan m'n tranen.
Hun mama, mijn vriendin, wordt in augustus mijn vrouw. Waarom trouwen jullie eigenlijk, vroeg haar moeder onlangs. Ik stond even met mijn mond vol tanden. Van mijn schoonmoeder had ik zo'n vraag niet verwacht. Wat moest ik antwoorden? Omdat we elkaar graag zien? Omdat we onze liefde willen delen met al wie ons dierbaar is? Omdat mijn zussen ook al getrouwd zijn en er massa's geld aan overgehouden hebben?
Mijn zussen, wie zal hen redden? Hun echtgenoten zijn vooral met hun carrière bezig. Hun vader is bezeten door biljart. Hun moeder heeft meer last van kwaaltjes dan van haar biljartende man. Hun vrienden zijn op één hand te tellen. En ik, ik sta er ook maar bij en kijk ernaar. Ben ik een waardige broer? Vriend? Zoon? Man? Papa?
Natuurlijk, denk ik dan bij mezelf, starend naar de maan die door de wolken schijnt. Ik ben fantastisch. De coolste man die ik ken. Altijd paraat om iemand uit de nood te helpen, te troosten of goede raad te geven. Bij mij kan je je diepste geheimen kwijt en je meest banale gedachtegangen. Bij mij kan je thee krijgen, koffie of gin-tonic. Ik ben Maarten, hier aan de beek. Je herkent me aan m'n tranen.
vrijdag 10 februari 2012
siegfried
De waarheid moet soms ook verteld worden. Ik klopte gisteren aan bij Siegfried Bracke en verraste hem met een kneep in de ballen. Hij schreeuwde het uit van de pret en begon meteen zijn kat te neuken. Anaal, want het was een kater.
Ik walgde van zoveel tristesse en riep enigszins in de war: 'Maar zielige klootzak toch, kunt ge geen Oost-Europese hoer betalen? Die wonen hier niet ver van! Die verlangen naar omhooggevallen drollen! Die laten u met plezier allerlei vieze dingen doen, zoals met modder gooien en in uw neus peuteren en zo! Die vinden dat plezant!'
Siegfried stopte even met zijn bezigheden en omhelsde in gedachten zijn overleden vader. Waar was de tijd dat hij nog braaf met knikkers speelde en onschuldige wormen in duizend stukjes kapte?
Ik walgde van zoveel tristesse en riep enigszins in de war: 'Maar zielige klootzak toch, kunt ge geen Oost-Europese hoer betalen? Die wonen hier niet ver van! Die verlangen naar omhooggevallen drollen! Die laten u met plezier allerlei vieze dingen doen, zoals met modder gooien en in uw neus peuteren en zo! Die vinden dat plezant!'
Siegfried stopte even met zijn bezigheden en omhelsde in gedachten zijn overleden vader. Waar was de tijd dat hij nog braaf met knikkers speelde en onschuldige wormen in duizend stukjes kapte?
maandag 2 januari 2012
de pottenbakker
Vroeger, toen er van Apple en Bart de Wever nog geen sprake was, speelde ik in velden en op dijken. Bomen, bunkers, vervallen schuren, kreken, boomgaarden: het was mijn speelterrein, mijn territorium. Samen met mijn maat Fred heerste ik er over de wereld.
Ik had een buurman. Zijn tuin was een paradijs, zeker in de winter. Toen zijn vijver bevroren was en hijzelf op reis, haalden Fred en ik zijn tuinstoelen uit de stalling en speelden er dagen aan een stuk op het ijs. Een andere keer, ergens in de zomer, was mijn buurman weer eens weg naar het zuiden. Fred en ik ontdekten een kelderraampje dat nog open stond. Wij naar binnen: tutti frutti's in de frigo en seksboekjes in het nachtkastje; het feest kon niet op.
Mijn buurman had veel vrienden, vooral mannelijke. Al snel leerden mijn ouders mij dat er verschillende soorten mensen bestaan: niet iedereen wil een partner van het andere geslacht. Ik stelde er mij niet al te veel vragen bij. Hij stak nooit een vinger naar mij uit, al mocht ik wel bij hem gaan pottenbakken en mijn zussen niet.
Vandaag is hij vijftig en heeft hij kanker. Hij heeft de hele wereld rondgereisd, zijn eigen huis gebouwd en tot in de puntjes afgewerkt, als verpleger gewerkt en als staalarbeider, hij kwam geregeld een koffietje drinken bij mijn moeder, twee viswijven samen, de problemen van de straat en van de wereld in één teug doorspoelend. Nu is hij terminaal ziek. Het leven van één van de sterkste en gezondste mannen van de Lage Landen zal veel te vroeg eindigen. Hij weet het, zijn vriend weet het, het hele dorp weet het. Maar niemand die er iets aan kan doen, zelfs de patroonheilige van de holboorders niet.
Ik heb nog niet veel miserie gekend in mijn leven, ook al heb ik twee kinderen, een West-Vlaamse vrouw en woon ik momenteel in de ruime periferie van Aalst, arbeidersstad zonder enig gevoel voor vooruitgang. Opgroeien met twee oudere zussen, een belastingcontroleur als vader en een halve jodin uit Antwerpen als moeder, was evenmin een sinecure. Mijn grootouders stierven allemaal toen ik nog jong was. Ik huilde soms als ik het laatste kruimeltje van de cake niet kreeg. Ik kreeg hooikoorts op mijn negentiende. Ik ben maar een meter achtenzeventig. Ik word soms nat van de regen en heb niet genoeg geld om een deftige camionette te kopen. Kortom, mijn buurman die triest voor zich uit staart, pijn lijdt en niet anders kan dan wachten, is veruit het ergste dat ik in dertig jaar tijd heb meegemaakt.
Ik had een buurman. Zijn tuin was een paradijs, zeker in de winter. Toen zijn vijver bevroren was en hijzelf op reis, haalden Fred en ik zijn tuinstoelen uit de stalling en speelden er dagen aan een stuk op het ijs. Een andere keer, ergens in de zomer, was mijn buurman weer eens weg naar het zuiden. Fred en ik ontdekten een kelderraampje dat nog open stond. Wij naar binnen: tutti frutti's in de frigo en seksboekjes in het nachtkastje; het feest kon niet op.
Mijn buurman had veel vrienden, vooral mannelijke. Al snel leerden mijn ouders mij dat er verschillende soorten mensen bestaan: niet iedereen wil een partner van het andere geslacht. Ik stelde er mij niet al te veel vragen bij. Hij stak nooit een vinger naar mij uit, al mocht ik wel bij hem gaan pottenbakken en mijn zussen niet.
Vandaag is hij vijftig en heeft hij kanker. Hij heeft de hele wereld rondgereisd, zijn eigen huis gebouwd en tot in de puntjes afgewerkt, als verpleger gewerkt en als staalarbeider, hij kwam geregeld een koffietje drinken bij mijn moeder, twee viswijven samen, de problemen van de straat en van de wereld in één teug doorspoelend. Nu is hij terminaal ziek. Het leven van één van de sterkste en gezondste mannen van de Lage Landen zal veel te vroeg eindigen. Hij weet het, zijn vriend weet het, het hele dorp weet het. Maar niemand die er iets aan kan doen, zelfs de patroonheilige van de holboorders niet.
Ik heb nog niet veel miserie gekend in mijn leven, ook al heb ik twee kinderen, een West-Vlaamse vrouw en woon ik momenteel in de ruime periferie van Aalst, arbeidersstad zonder enig gevoel voor vooruitgang. Opgroeien met twee oudere zussen, een belastingcontroleur als vader en een halve jodin uit Antwerpen als moeder, was evenmin een sinecure. Mijn grootouders stierven allemaal toen ik nog jong was. Ik huilde soms als ik het laatste kruimeltje van de cake niet kreeg. Ik kreeg hooikoorts op mijn negentiende. Ik ben maar een meter achtenzeventig. Ik word soms nat van de regen en heb niet genoeg geld om een deftige camionette te kopen. Kortom, mijn buurman die triest voor zich uit staart, pijn lijdt en niet anders kan dan wachten, is veruit het ergste dat ik in dertig jaar tijd heb meegemaakt.
maandag 5 december 2011
vlissingen
Ik dacht even dat ik kon vliegen, maar het was Jaak Pijpen die mij optilde en op een vensterbank van het VVV-kantoor in IJzendijke plaatste. Ik trok ostentatief mijn wenkbrauwen op, maar hij negeerde alles en iedereen. Zelfs toen een taxichauffeur 'Hup Holland Hup' riep, bleef hij nietszeggend naar de hemel staren.
Twee dagen later kwam ik aan in Vlissingen. De meeuwen krijsten als nooit tevoren. Een verdwaalde hond kwam aangesjokt en snuffelde aan mijn ballen. Honden hebben altijd die neiging. Al van toen ik klein was zaten honden in mijn ballen te wroeten. Van heinde en verre kwamen ze aangelopen, soms in colonne. De ergste keer was op vakantie in Griekenland, eind jaren tachtig: ik werd bedolven onder de honden. Mijn ouders moesten op elke wandeling kilo's droge worst meenemen om die kutbeesten af te leiden.
Nu was het dus een Vlissingse straathond. Ik gaf het beest een stamp en wandelde naar de dichtstbijzijnde winkelstraat. Alles was gesloten. Enkel een patatkraam serveerde walgelijke vetbollen aan een dikke neger. Ik vroeg de weg naar café de Reisduif, maar noch het patatkraam noch de dikke neger kon mij helpen. Ik ging zitten en bestelde een Heineken. Het kon hier wel dolle pret worden.
Twee dagen later kwam ik aan in Vlissingen. De meeuwen krijsten als nooit tevoren. Een verdwaalde hond kwam aangesjokt en snuffelde aan mijn ballen. Honden hebben altijd die neiging. Al van toen ik klein was zaten honden in mijn ballen te wroeten. Van heinde en verre kwamen ze aangelopen, soms in colonne. De ergste keer was op vakantie in Griekenland, eind jaren tachtig: ik werd bedolven onder de honden. Mijn ouders moesten op elke wandeling kilo's droge worst meenemen om die kutbeesten af te leiden.
Nu was het dus een Vlissingse straathond. Ik gaf het beest een stamp en wandelde naar de dichtstbijzijnde winkelstraat. Alles was gesloten. Enkel een patatkraam serveerde walgelijke vetbollen aan een dikke neger. Ik vroeg de weg naar café de Reisduif, maar noch het patatkraam noch de dikke neger kon mij helpen. Ik ging zitten en bestelde een Heineken. Het kon hier wel dolle pret worden.
woensdag 26 oktober 2011
wankele walvis gaapt tegen sterren op
Ik stierf niet eenmaal, niet tweemaal, zelfs niet driemaal. Nee, ook niet viermaal. Of vijfmaal. Of zes-, zeven-, acht-, negen- of tienmaal. Nee, ik stierf helemaal niet. Met andere woorden, ik leefde nog een beetje. Net genoeg om nog te kunnen ademen. En te ruiken, voelen en horen. En je te zien weggaan. Naar het hotel. Met je valies in de hand. En je kleren erin. En je kousen binnenstebuiten. En je tranen op je wangen. Je veegde ze niet eens weg. Iedereen mocht zien hoe verdrietig je was. Zelfs Koen Crucke, die toevallig passeerde met een banaan in zijn mond.
Ik ademde nog steeds, want dood was ik niet. Ik keek naar links. En dan naar rechts. Ik deed even niets. En dan keek ik weer naar links. Ik zag een hond. De hond kwispelde keihard tegen een paal. Dat maakte een hels geluid. Ik gooide een osb-plaat naar de hond. Hij jankte en sjokte heen. Ik keek terug naar rechts. Ik zag jou verdwijnen achter de hoek. Koen Crucke passeerde met een banaan in zijn hand en een grijns op zijn verwijfde smoel. Nog voor hij hallo kon zeggen, riep ik 'Zwijg, achterlijke Turk, zwijg!!!'
Inderdaad, drie uitroeptekens: zo luid riep ik. Het speeksel vloog uit mijn mond. Koen Crucke likte het dankbaar op. Ditmaal was hij mij te snel af: nog voor ik iets kon roepen, zei hij met een knipoog: 'Gaat ge niet mee met mij naar de Capitole vanavond?' Ik stond daar met mijn mond vol tanden. Ik knikte verdwaasd van ja en een paar uur later zaten we samen naar Daens, de musical te kijken.
Ik ademde nog steeds, want dood was ik niet. Ik keek naar links. En dan naar rechts. Ik deed even niets. En dan keek ik weer naar links. Ik zag een hond. De hond kwispelde keihard tegen een paal. Dat maakte een hels geluid. Ik gooide een osb-plaat naar de hond. Hij jankte en sjokte heen. Ik keek terug naar rechts. Ik zag jou verdwijnen achter de hoek. Koen Crucke passeerde met een banaan in zijn hand en een grijns op zijn verwijfde smoel. Nog voor hij hallo kon zeggen, riep ik 'Zwijg, achterlijke Turk, zwijg!!!'
Inderdaad, drie uitroeptekens: zo luid riep ik. Het speeksel vloog uit mijn mond. Koen Crucke likte het dankbaar op. Ditmaal was hij mij te snel af: nog voor ik iets kon roepen, zei hij met een knipoog: 'Gaat ge niet mee met mij naar de Capitole vanavond?' Ik stond daar met mijn mond vol tanden. Ik knikte verdwaasd van ja en een paar uur later zaten we samen naar Daens, de musical te kijken.
dinsdag 11 oktober 2011
de schwung
Ik ben ook maar een mens. Ok, geniaal en hyperknap, maar toch: een mens. Ik kan weinig doen aan het leed op aarde, zelfs al zou ik dat keihard willen. Ik smeer liever mosterd op de boterhammen van demente bejaarden om te zien hoe ze reageren als hun neus in brand staat. Boeiend, dat wel, grappig meestal ook, maar echt bevredigd raak ik er toch niet van.
Ik dwaal rond door de stad. Uilskuikens kruisen mijn pad. Vlaams-nationalisten zwaaien met hun vlaggen en roepen om hun moeder. Ze stoppen bij een standbeeld van mijn voeten. Hun valse gezangen worden niet gehoord, ze worden genegeerd als nooit tevoren. Zelfs de stadsduiven blijven rustig vechten om een gevallen friet.
Ik vlucht een groentewinkel binnen. Een oud vrouwtje verkoopt courgettes, wortelen, prei, look, patatten en ajuinen. Ik koop een bussel prei en ga naar huis. Eenmaal thuis maak ik preisoep. Overheerlijke preisoep. Echt de beste preisoep die ik ooit gegeten heb. Ik eet zeker drie borden. Ik schreeuw van genot. Fucking goeie preisoep! Niet veel later weet Frank Deboosere te melden dat het warm is voor de tijd van 't jaar.
Ik dwaal rond door de stad. Uilskuikens kruisen mijn pad. Vlaams-nationalisten zwaaien met hun vlaggen en roepen om hun moeder. Ze stoppen bij een standbeeld van mijn voeten. Hun valse gezangen worden niet gehoord, ze worden genegeerd als nooit tevoren. Zelfs de stadsduiven blijven rustig vechten om een gevallen friet.
Ik vlucht een groentewinkel binnen. Een oud vrouwtje verkoopt courgettes, wortelen, prei, look, patatten en ajuinen. Ik koop een bussel prei en ga naar huis. Eenmaal thuis maak ik preisoep. Overheerlijke preisoep. Echt de beste preisoep die ik ooit gegeten heb. Ik eet zeker drie borden. Ik schreeuw van genot. Fucking goeie preisoep! Niet veel later weet Frank Deboosere te melden dat het warm is voor de tijd van 't jaar.
dinsdag 13 september 2011
smekkend door het leven
Continuïteit is cruciaal, zei mijn grootvader elke zondag toen hij in het kruis van meneer pastoor schopte. Zijn stalen tippen kwamen goed van pas. Leve de vakbond, schreeuwde hij vervolgens in café De Gouden Appel. Mariette, ook wel het monster van Loch Ness genoemd, keek liefdevol op. Ze mocht dan wel scheel zijn als een otter, mannen als mijn grootvader konden haar alles vragen.
Mijn grootmoeder zweeg als vermoord toen ik mijn grootvader een half uur later met de kruiwagen naar huis bracht. Hij was strontzat en zong liedjes van Get Ready. Ik wist dat mijn grootmoeder een koekje gaf als ik hem op de composthoop dumpte, maar vandaag had ik er geen zin in. Ik dumpte hem in de kakbeek en vroeg een glas limonade.
Tegen het avondeten werd mijn grootvader meestal wakker. Hij zoende mijn grootmoeder vol op de mond, greep haar tussen de benen en samen gingen ze naar boven. Ik at dan braaf mijn boterhammen op. Als ik luid genoeg smekte hoorde ik hun hees gekreun niet.
Mijn grootmoeder zweeg als vermoord toen ik mijn grootvader een half uur later met de kruiwagen naar huis bracht. Hij was strontzat en zong liedjes van Get Ready. Ik wist dat mijn grootmoeder een koekje gaf als ik hem op de composthoop dumpte, maar vandaag had ik er geen zin in. Ik dumpte hem in de kakbeek en vroeg een glas limonade.
Tegen het avondeten werd mijn grootvader meestal wakker. Hij zoende mijn grootmoeder vol op de mond, greep haar tussen de benen en samen gingen ze naar boven. Ik at dan braaf mijn boterhammen op. Als ik luid genoeg smekte hoorde ik hun hees gekreun niet.
maandag 20 juni 2011
het smeersel
Ik voel je angst als ik in galop over je heen rijd. Je slaakt geen zucht, knippert niet met je ogen, geeft geen krimp. Je zoekt geen afscheid. Mijn excuses aanvaard je met de glimlach, een minzaam lachje dat mij leegzuigt en al mijn moeizaam opgebouwde zelfzekerheid tot stof verpulvert. Ik kijk door het raam, een windvlaag doet knotwilgen plooien.
Mijn tranen voelen kil aan, verwilderd, doelloos. Ik hou ze bij in een potje van de Aldi. Ik kijk ernaar de hele nacht. Ik val in slaap, eenzaam opgekruld in de leren sofa, gekregen van mijn ouders. Italiaans design, ooit vlekkeloos en futuristisch, nu tot op de naad versleten en so nineties. Ik voel mijn veel te lange haren plakken aan opgedroogde cuba libre.
Ik wandel door een stad, een omhooggevallen dorp of een verlaten industriepark, het maakt niet uit. Er is niemand om mij op te vangen, frieten te voeden of cécémel te verkopen. Ik slenter maar door, van achter naar voor, van links naar rechts. Ik hou halt bij elk bushokje, maar telkens ontbreekt de uurregeling. Ik staar naar het blanco blad van De Lijn en voel dat de eindafrekening niet lang op zich kan laten wachten.
Mijn tranen voelen kil aan, verwilderd, doelloos. Ik hou ze bij in een potje van de Aldi. Ik kijk ernaar de hele nacht. Ik val in slaap, eenzaam opgekruld in de leren sofa, gekregen van mijn ouders. Italiaans design, ooit vlekkeloos en futuristisch, nu tot op de naad versleten en so nineties. Ik voel mijn veel te lange haren plakken aan opgedroogde cuba libre.
Ik wandel door een stad, een omhooggevallen dorp of een verlaten industriepark, het maakt niet uit. Er is niemand om mij op te vangen, frieten te voeden of cécémel te verkopen. Ik slenter maar door, van achter naar voor, van links naar rechts. Ik hou halt bij elk bushokje, maar telkens ontbreekt de uurregeling. Ik staar naar het blanco blad van De Lijn en voel dat de eindafrekening niet lang op zich kan laten wachten.
woensdag 1 juni 2011
de bakkerin van oordegem
Ik heb een zoon. De meest schattige zoon ter wereld. Iedereen mag het weten, zelfs mijn dochter. Zij gaat daar trouwens mee akkoord. Zo fantastisch is ze. Ze komen goed overeen, die twee. Spelen tegen de sterren op, maken bijna nooit ruzie, zijn constant samen. Als slechts één van de twee meegaat naar de bakker in plaats van allebei, neemt hij of zij steevast een snoepje voor de ander mee.
De enige die geen snoep krijgt bij de bakker omdat hij al volwassen is, ben ik. Al prop ik soms wel stiekem eentje in mijn mond als de bakkerin het brood snijdt. Dan is het kwestie van vlug door te slikken zodat ik tijdig alstublieft en dankuwel kan zeggen alsof er niets gebeurd is. Genieten doe ik dus nooit van die spekken.
Ik maak dat fundamentele onrecht (als volwassene geen snoepje krijgen bij de bakker) wel ruimschoots goed als de kinderen slapen. Dan eet ik snoepen tot ik erbij neerval. Mijn toekomstige vrouw laat mij begaan, maar heeft toch een zekere teleurstelling in haar blik. Ik lach dan schaapachtig en masseer vlug haar nek. En zo gaan we liefdevol naar bed.
De enige die geen snoep krijgt bij de bakker omdat hij al volwassen is, ben ik. Al prop ik soms wel stiekem eentje in mijn mond als de bakkerin het brood snijdt. Dan is het kwestie van vlug door te slikken zodat ik tijdig alstublieft en dankuwel kan zeggen alsof er niets gebeurd is. Genieten doe ik dus nooit van die spekken.
Ik maak dat fundamentele onrecht (als volwassene geen snoepje krijgen bij de bakker) wel ruimschoots goed als de kinderen slapen. Dan eet ik snoepen tot ik erbij neerval. Mijn toekomstige vrouw laat mij begaan, maar heeft toch een zekere teleurstelling in haar blik. Ik lach dan schaapachtig en masseer vlug haar nek. En zo gaan we liefdevol naar bed.
woensdag 4 mei 2011
de kunst
Later, als ik dood ben en gecremeerd en mijn as is uitgestrooid boven de middenberm van de E40, ergens tussen Wetteren en Erpe-Mere, herinner mij dan als mystieke kippenverzamelaar en hondstrouwe vrouwenverslinder.
Ik heb hem nooit persoonlijk gekend, maar Koning Boudewijn was ongetwijfeld een arrogante jeanet met een stinkende bek en hangende pootjes. Die kille ochtend in Winterslag, toen hij een plaatselijke boer uitmaakte voor rotte vis, was slechts het topje van de ijsberg.
Zet een hesp voor je raam vannacht, zodat ik weet dat je naar me smacht. Ga en vermenigvuldig je hersencellen. Kom pas terug als het bushokje geel geverfd is. Kanariegeel of meer naar de okerkant toe, dat hangt volledig van het lot af.
Ik heb hem nooit persoonlijk gekend, maar Koning Boudewijn was ongetwijfeld een arrogante jeanet met een stinkende bek en hangende pootjes. Die kille ochtend in Winterslag, toen hij een plaatselijke boer uitmaakte voor rotte vis, was slechts het topje van de ijsberg.
Zet een hesp voor je raam vannacht, zodat ik weet dat je naar me smacht. Ga en vermenigvuldig je hersencellen. Kom pas terug als het bushokje geel geverfd is. Kanariegeel of meer naar de okerkant toe, dat hangt volledig van het lot af.
vrijdag 8 april 2011
achttien
Ik nam Jaak Pijpen bij de neus. Hij schreeuwde het uit en bedankte me vervolgens uitvoerig. Mijn missie was geslaagd, maar mijn boswandeling moest nog beginnen. Ik stapte het bos in en liet mij leiden door platgetreden paden. Hoog in de lucht zagen wolken dat het goed was.
Mijn grootvader, een edelman met tien geiten en een paard, maakte ooit komaf met het gepeupel in zijn dorp. De resterende bevolking, tien geiten en een paard, verafgoodde hem nog meer dan voordien. Toen hij ook nog een dreigbrief stuurde naar de koster van het naburige dorp, kon zijn dag niet meer stuk.
Mijn lot zal ooit uit de anonimiteit treden. Het zal opstaan en luidkeels declameren dat ik de eerstvolgende straat linksaf moet, peperdure gps en sterk ontwikkeld oriëntatiegevoel ten spijt. Het zal mij een onbekende weg insturen, langs kanalen en verlaten industriegebieden. Duiven en vossen zullen vluchten als ik nietsvermoedend een liedje van K3 neurie.
Mijn grootvader, een edelman met tien geiten en een paard, maakte ooit komaf met het gepeupel in zijn dorp. De resterende bevolking, tien geiten en een paard, verafgoodde hem nog meer dan voordien. Toen hij ook nog een dreigbrief stuurde naar de koster van het naburige dorp, kon zijn dag niet meer stuk.
Mijn lot zal ooit uit de anonimiteit treden. Het zal opstaan en luidkeels declameren dat ik de eerstvolgende straat linksaf moet, peperdure gps en sterk ontwikkeld oriëntatiegevoel ten spijt. Het zal mij een onbekende weg insturen, langs kanalen en verlaten industriegebieden. Duiven en vossen zullen vluchten als ik nietsvermoedend een liedje van K3 neurie.
Abonneren op:
Posts (Atom)