vrijdag 9 april 2010

wilfried

Ik kus mijn voeten; ze zijn zo lief, meneer. Het heldere water van de kraan zorgt voor een ongeziene douche. Iedereen, ook het Lam Gods, beeft van opwinding. Wakker zijn ze niet, maar de honden kraaien van genot.

Mijn schoenmaat heet Wilfried. Grote stappen, kleine stappen, vrolijke stappen, zatte stappen, ingetogen stappen, stoere stappen: hij valt bij iedere stap. De winkelier heeft me serieus in de zak gezet. Hij is niet de eerste en zal zeker niet de laatste zijn.

Mijn vrouw zoekt de wasknijpers. Haar leven bestaat uit vele zaken, maar wasknijpers zoeken hoort daar ongetwijfeld ook bij. Wat als haar modeshow in het water valt? Zou ik haar dan troosten en vervolgens tot seks overhalen?

donderdag 1 april 2010

dertien

Later, als je supergroot bent en met een beetje geluk superintelligent, -grappig en -knap (een beetje zoals je papa eigenlijk, nu ik er zo over nadenk)(en als je ook nog een supervrouw hebt, echt helemáál zoals je papa), later dus, zal je misschien terugdenken aan je jonge jaren, hier in het gehucht der gehuchten, onooglijk dorp tussen Wetteren en Aalst, niet ver van een van de drukst bereden autosnelwegen ter wereld.

Misschien zal je twijfelen over je heimat. Je zal sowieso geen echte heimat hebben: zowel je pa als je ma waren inwijkelingen. Het waren buitenbeentjes in de streek, spraken het verkeerde dialect en zochten geen al te diep contact met de buurtbewoners. Ze hadden wel wat beters te doen, dachten ze.

Veel kans dat de tranen je in de ogen springen als je wegdroomt over de ontelbare uren dat je hier in de modder speelde, met een stok in het water ingebeelde vissen ving of in het bouwvallig want gekregen speelgoedhuisje je territorium verdedigde.

Je zal je eigen kinderen vertellen over je jeugd, de tijd dat Yves Leterme de plak zwaaide - 'Hahaha, papa, was die totaal charismaloze hark de baas van België?' - de tijd dat de crisis nog van voorbijgaande aard was - 'Papa, wat is dat, hoogconjunctuur?' - de tijd dat het Westen nog de place to be was - 'Papa, ga je nu eens een écht verhaaltje vertellen in plaats van te mijmeren over je fucking jeugd?'.

Het zal pijn doen om je los te laten, maar je zal niets anders willen. Je zal ons niet vergeten, maar je zal toch vooral aan je eigen toekomst denken. Wij zullen ouder en grijzer worden, nuttelozer en irrelevanter. We zullen niet meer de enige belangrijke mensen in je leven zijn. Maar we zullen er zijn, elke dag opnieuw. Van 9u tot 17u wel te verstaan. Na kantooruren moet je maar bij je schoonouders aankloppen.

vrijdag 26 maart 2010

de man die zijn teennagels knipte

Jozef In Het Kwadraat, een man wiens voorouders vermoedelijk wiskundigen waren, liep ogenschijnlijk tevreden onder een brug. De brug was van staal. Duiven vonden er asiel. Graffitispuiters spoten er graffiti. Condooms werden er gedumpt na nachtelijke avonturen. Jozef keek naar de ingenieuze boogconstructie. Hij dacht aan vroeger, de tijd dat zijn moeder nog leefde.

Het was een zwoele zomerdag. Zo'n dag waar je het hele jaar naar uitkijkt, maar waarop je je - als het eenmaal zover is - vooral ergert aan het stromende zweet en de klotevliegen die erop afkomen. Jozef speelde in de zandbak. Zijn moeder zat op een bankje en breide een sjaal. Jozef keek haar vol liefde aan en dacht: what the fuck breit dat mens een sjaal midden in de zomer? Daarna stortte zijn wereld in; zijn moeder weigerde hem een ijsje.

's Avonds aten ze bloedworst. Het was een prachtige avond om bloedworst te eten, had zijn moeder nog gezegd. Jozef haatte bloedworst. Bloed tot daartoe, maar worst, dat ging hem toch net te ver. Zijn vader, Gustaaf In Het Kwadraat, mompelde iets in de trant van grmbl mmbl vrnkl. Jozef en zijn moeder fronsten hun wenkbrauwen. Daarna luisterden ze samen naar de radio. De radio speelde muziek. De nacht deed wat van haar verwacht werd: ze viel.

zondag 21 maart 2010

de zweep

Het winkelmeisje draagt gele sandalen. De strandbar is gesloten. Twee verdwaalde toeristen raken lichtjes gefrustreerd en maken ruzie. Een reusachtige man zakt ineen bij het eten van zijn laatste hamburger. Mongolen, Chinezen, West-Vlamingen, allemaal rennen ze radeloos rondjes. Ze weigeren om te kijken. Ze weigeren hulp. Hun tegenspelers, ratten en dingo's, wachten rustig af.

Mijn houding blijft dezelfde: mankementen mogen, maar niet vandaag. Laat mij wat gras dat nog groen is. Laat mij het kruis van jezuïeten, zodat ik erin kan trappen als ik daar zin in heb. Hou mij in het oog, nabij het hart. Hou mijn wijstanden maar; ik kan wel even zonder.

De mening van de straat: ridicuul. Geef mij een zweep en ik tem de hele meute. Geef mij een doorsnee dorpeling en ik lach hem vierkant uit. Ook als het een zij is. Een zij met dikke tetten, dat is iets anders. Ja, dat is absoluut iets anders.

vrijdag 19 maart 2010

de gootsteen incluis

Mijn eeuwige droom loopt volgende week ten einde. Ik zal verdrietig zijn noch bang. Ik zal geen bretellen dragen, want dat doe ik sowieso nooit. Welke oelewapper draagt vandaag de dag nog bretellen? Nooit van een riem gehoord, loser?

Mijn zacht en liefdevol karakter komt moeiteloos naar boven als ik de kelderdeur ontgrendel. Het huppelt vrolijk rond als ik de ketting even losmaak. Mijn beste vriend, de dode hond van de buren, kwispelt en kwijlt bij het ruiken van mijn zweet.

Laf en angstvallig als de gemiddelde politicus zal ik mijn schuilplaats pas verlaten als alle sterren gevallen zijn, alle woorden uitgespuugd, alle Kreuners dood en begraven. Wie zal mij opvangen, vol minachting en hopelijk enkele zakken snoep?

vrijdag 5 maart 2010

de gozers

Vroeger, toen ik nog klein en eerlijk was, strandde het leven vaak op de deklat. Mensen lieten hun hoofden hangen van zodra ze de kans kregen. Helaas kregen ze bijna voortdurend de kans. Minstens elke dag. Elke fucking dag.

Ik kon mij moeilijk voorstellen dat het leven bestond uit klagen en zagen. Het hele dorp deed namelijk niet anders. Ze roddelden, zuchtten en steunden. Wisten zij veel dat hun overdreven, irrelevant en volledig onterecht misprijzen ooit zou leiden tot de dood.

Vandaag is het zover: Walter Capiau kamt zijn resterende haren. Hij kijkt omhoog en knipoogt naar het plafond. Het plafond knipoogt verveeld terug.

dinsdag 16 februari 2010

hoepahoel

"When I've got that farting feeling, you'll be gone, gone, gone." Ja, geniale liedjesteksten zijn echt wel mijn ding. Ik verzin ze alsof het niets is. Laatst zei mijn achteroom zelfs dat zijn kleine teen jeukte omdat het in Zwevezele regende. En mijn beste vriend, Jaap Stam, verloor zijn stembanden bij het hoesten rond halftien. Ik smakte misselijkmakend tegen het beschadigde asfalt. Ja, de vorst had zijn werk gedaan: linten doorgeknipt, handjes geschud, geposeerd voor een fotograaf van De Courant van Gruut-Wakkegem. Zijn hond legde ondertussen drollen.

zaterdag 13 februari 2010

een zwangere man

In 1956 verloor mijn tante haar eerste tandje. Ze huilde urenlang. Haar vader raakte oververhit en dumpte haar in de mesthoop. Tot zover het verhaal over mijn tante. Jaren later liep mijn nonkel door de straten van Lissabon. Hij was blij want het ging bergaf. Enkele minuten later was hij verdrietig want het ging bergop. Echt interessant was zijn reisje niet. Ik zweeg, maar mijn blik sprak boekdelen. De Portugezen wisten niet waar ze het hadden.

Spanje, een land in Zuid-Europa, barstte in de jaren tachtig van de mosselen. Junkies verzamelden in Bilbao en protesteerden tegen Walter. Walter vroeg zich af wat hij misdaan had. Zijn vrouw daarentegen wist wel waar de klepel hing. Meer bepaald in Valencia.

Mokkels, sletjes en would-be prostituees hielden de wacht voor het kasteel der zonden. Hun koning, de alom gevreesde Yves Leterme, schreeuwde moord en brand. Zijn badjas was zoek.

vrijdag 12 februari 2010

zoek de misdienaar

Ik weiger te geloven in God, ook al zoekt Hij soms troost bij een gele banaan uit Afrika. De middagstorm is alweer gaan liggen; vadertjes roepen vliegen bijeen, juffen zoeken wasco's, misdienaars sluiten hun ritsen. Zip.

Wanneer, of beter: waarom, zal het leven ooit eindigen? Gisteren? Ik denk het niet. Mijn blaas is nog maar net geledigd of er sluit al opnieuw een winkel de deuren. De wijsneus die optimisme uitvond mag voor mijn part stikken in een nichterige lachbui.

Mijn gematigd optimisme komt ongetwijfeld van mijn natuurlijke ouders, die toevallig ook mijn wettelijke ouders zijn. Ik ben met andere woorden niet geadopteerd. Vind ik dat jammer? Nee. Stinkt u uit uw bek? Vraag dat eens aan uw eerlijkste vriend.

vrijdag 5 februari 2010

de bijzaak

Mijn grootvader, een man zonder complexen, hield zielsveel van de zoo. Hij maakte er elke dag een ochtendwandeling. Zijn lievelingsdieren waren de vrouwelijke opzichters. Bij het voederen van olifanten, nijlpaarden of otters keek mijn grootvader altijd naar de volslanke dames die deze taak op zich namen. Zo wist hij bijvoorbeeld dat 's woensdags om klokslag 9u45 de pinguïns verse vis kregen van zijn persoonlijke favoriet, Linda. Linda had blonde haren, scheve ogen en een gouden tand. Haar stem klonk als een bronstige buffel, hetgeen waarschijnlijk de reden was waarom haar mannelijke collega's haar heimelijk De Buffel noemden.

woensdag 3 februari 2010

my lazy horse

Ik heb twee kinderen: een dochter en een zoon. Ik ben een jonge papa. Op mijn drieëntwintigste bleek mijn vriendin plots zwanger. We hadden geluk: we pasten bij elkaar als zon & zee, berg & berggeit, alcohol & kots zo u wil. Onze dochter is geboren in ons toenmalig huis in Gent, vlak bij het Citadelpark. Mijn vriendin schreeuwde de hele straat bijeen tot de vroedvrouw haar subtiel aanraadde meer kracht te steken in het persen dan in het roepen. Daarna kwam dus onze dochter.

Twee jaar later sprintte onze zoon de wereld in. Hij is met de helm op geboren in ons huidig huis in Lede. Ervaren als ze was, maakte mijn vriendin niet erg veel lawaai. Een uurtje na de bevalling, 's morgens vroeg, stond onze dochter op. Maandenlang had ze mama's buik zien groeien en groeien, maar die bewuste ochtend was het zover: ze had een broertje.

Vandaag, weer een paar jaar later, zwijgt onze dochter geen seconde en kan onze zoon moeilijk stil zitten aan tafel. Al helpt het wel als ik 'schön auf deine poepfe sitzen' zeg.

zondag 31 januari 2010

de stilte voorbij

Hamvragen en kaasrollen raasden door mijn hoofd. Mijn hoofd, anders zo leeg als een leegganger, hield tegen alle verwachtingen in stand. Mijn boekhouder, een Turk zonder weerga, fluisterde dat ik mijn kapitaal moest investeren in cannabis. Mocht ik dat te gevaarlijk vinden, pittavlees was naar het schijnt ook erg rendabel. Ik was er zeker van dat hij gefrustreerd was, mijn boekhouder. Gefrustreerd over ganzenspel, de vogeltjesdans en wie weet over aambeien. Ik betaalde hem mijn schulden. Een last viel van mijn schouders, recht in zijn vuilbak. De kuisvrouw keek verschrikt op.

vrijdag 29 januari 2010

nostalgie

Waar is de tijd dat ik op een winterdag samen met mijn grootvader ging vissen en na een dag onderkoeld thuiskwam zonder vis? Waar is de tijd dat Evert mij elke ochtend op weg naar school voetjelapte en in de modder duwde? Waar is de tijd dat mijn homo-buurman mij met een veelbetekenende knipoog uitnodigde om samen potten te bakken? Waar is de tijd dat ik niet durfde voorover buigen uit angst voor een onverwachte anale aanval van diezelfde buurman? Ach, waar is de tijd? 't Waren mooie jaren vol verdriet, pijn, haat en zure melk. Ik vond het verschrikkelijk toen ik werd opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis van Zwevezele. Mijn veilige omgeving maakte plaats voor een bende zotten met trauma's allerhande. Ik zat daar als enige normale jongen; het was niet te harden. Ik werd uitgelachen, bespuugd en vervolgens jarenlang genegeerd. Sommige verplegers hadden gelukkig wel medelijden: ze aaiden mij en kropen 's nachts stiekem in mijn bed. Ik moest dan zwijgen, want anders vloog ik in de isoleercel. Ach, de isoleercel! Hoeveel dagen heb ik daar gespendeerd? Eenzaam, verlaten, uitgehongerd. Ja, ik had een heerlijke jeugd. Waar is de tijd toch gebleven?

vrijdag 22 januari 2010

het lammetje

Eén luttele seconde vroeg ik mij af waarom mijn broek niet afzakte. Was ik verdikt? Jazeker. Was mijn sixpack verdwenen? Al lang. Hoe het zo ver kon komen? Hang de wijsneus niet uit. Ik weet wel wie mij graag ziet en wie mij liever ziet komen dan gaan. Ik ben niet eeuwig vatbaar voor lafheid. Morgen verdwijnt de onschuld, net als alle dagen voordien. Adam die Eva een oorveeg geeft: dat had ik niet willen meemaken.

vrijdag 15 januari 2010

wiske

Patiënt 546 uit kamer 52 in gang 34 van de 15de verdieping in blok F heeft tandpijn. Mijn moeder haast zich om de feiten te vergeten. Haar buik voelt anders aan: warmer, werchter, dranouter. Ze huilt zelden, maar als ze huilt is het prijs. Mocht er een wereldkampioenschap huilen bestaan of mocht huilen een olympische discipline zijn, mijn moeder haalde zeker goud. Of zilver.

De wolken, de kippen, het strand: alle faketoestanden wil ik kwijt. Liever kwijt dan geil. Liever Toscaanse saus op mijn frietjes. Liever saus in een potje. Lieven hield opnieuw zijn adem in. Leuven blijft afstandelijk, bitter, hautain, ridicuul. Tobback: een blok aan benen.

De mokka smaakt intens, bijna zoals in de reclame van Côte d'or. Ik huil bij het afscheid nemen. Ik mis mijn zakdoek. Had ik hem maar meegenomen. Nu sta ik hier te snotteren als een klein kind. Ik bén een klein kind. Het leven lacht mij toe.

maandag 28 december 2009

de duts voorbij

Ik hou van bakvissen. Zeker als ze bokaalglazen dragen. What you see is what you get: bambi-ogen, een irrelevante stroom aan irrelevante woorden, een gewillige doch onervaren pruim. De mosterd die ze op hun boterham smeren komt zelden van de natuurwinkel. Weten zij veel dat dergelijke winkels bestaan.

De fijnste ervaring die ik ooit mocht ervaren - 'Komen eten' op VT4 - blijft aan mijn nekvel kleven. Ik weiger te geloven dat mensen ervan moeten kotsen. Cultuurbarbaren zijn het, randdebielen zonder enig gevoel voor schoonheid.

Ik zal niet wensen om aanvaard te worden. Ik zal niemand verplichten het licht uit te doen. Ik zal niemands oren volsmeren met tippex, al moet dat wel eens plezant zijn.

zondag 27 december 2009

beschonken

Veel mensen zoeken hun geluk in een overdadig versierde kerstboom. Ze trekken zich op aan kerstballen, slingers en spaarzame led-lichtjes. In het kerststalletje ligt Jezus verveeld rond te kijken alsof hij het monotone sparrenlandschap kotsbeu is, de ondankbare hond. Wij zorgen voor een gezellig hoekje in de living, hij klaagt over pijnlijke naalden in zijn kribbe. Wij hangen kerstverlichting, hij moppert dat de poolster daardoor onvindbaar wordt. Wij eten kalkoen, hij is vegetariër. Typisch.

Als er één mensensoort is waar ik niet tegen kan, dan zijn het wel paternalisten. Los van het feit dat ze allemaal een stinkende bek hebben kan ik ze niet rieken of zien. Ik vermoed dat hun ouders zich voor hen schamen. En hun kinderen, als ze dat al hebben, dromen van verre landen.

vrijdag 18 december 2009

adam

Ik maakte een vuurtje in een bos in Frankrijk. Het was een mooi bos; erg groen. Er waren struiken, bomen, gevallen takken en paddestoelen. Ik hoorde geen enkele vogel, laat staan zoogdier. Was ik helemaal alleen? Wie riep daar mijn naam? Een oehoe zal het niet geweest zijn. Ik keek rond, maar vergat plots alles. Mijn jeugd was al lang verleden tijd. Ik zag beelden van een museum voor moderne kunsten. De geur van rot gebladerte drong mijn verdwaasd bewustzijn binnen. Ik zag nog steeds geen eekhoorn. Mijn plan mislukte totaal. Ik was intens gelukkig. 'Vrijdag vijgdag' moet Adam ooit gedacht hebben.

maandag 7 december 2009

juist

Je doet mij schreeuwen van geluk. Het doet pijn aan mijn stembanden, trommel- en andere vliezen. De wegen die mijn pad kruisen zal ik zelden inslaan. Ik schreeuw gestaag door tot het einde onontkoombaar is. Hees als een oester zoek ik rust. Mijn kussen, hoe marginaal ook, heeft mij al veel slaapplezier opgeleverd. Ik droom van mensen, hoe ze winkelen, naar het toilet gaan, zichzelf afgunstig in de ogen kijken. Ik versta hen, al weiger ik mezelf erin te herkennen. Ik weiger wel meer dingen: spruiten, koude koffie, anale seks. Oude wijven met rotte tanden kunnen ook op een nee rekenen.

zondag 6 december 2009

de clash

Op een zomerse winterdag dacht Evert aan het leven. Hij smeerde mosterd op zijn boterham met choco en keek door het raam naar de knotwilgen die dringend geknot moesten worden. Zijn grootvader kwam binnen en verloste hem uit zijn gedachten. 'Waar is de tijd gebleven?' vroeg hij aan Evert. 'Bedoel je De Standaard?' antwoordde Evert. 'Nee, ellendeling, de tijd dat Walter Capiau nog liefde bedreef.' Evert dronk zijn koffie op en verliet de keuken. In de living zat Jezus naar de borsten van Martine Tanghe te staren.